Begrafenissen

De oudere vriend die ik een poosje niet gezien had, maakte geen vrolijke indruk. Zat hem iets in het bijzonder dwars?

„Wat wil je”, zei hij een tikkeltje opstandig, „ik heb net weer een begrafenis achter de rug. Ik ben nu zeventig geworden, een leeftijd waarop je veel begrafenissen moet bezoeken. Vijf, zes keer per jaar zo’n loodzware begrafenis, ik trek dat niet meer.”

„Je doet het ook niet voor jezelf, maar voor de nabestaanden”, zei ik, hopelijk niet al te streng.

„Natuurlijk, maar ik ben toch van plan veel selectiever te worden. Laatst stond ik aan het graf van iemand aan wie ik in mijn hart altijd de pest had gehad. Ik zag die kist zakken en ik dacht stiekem: may he rot in hell.”

Ik kon me er iets bij voorstellen. Het leek me ook een opluchtend gevoel in zo’n situatie de zandkluiten op de kist te horen ploffen, maar als motief om een begrafenis te bezoeken was het toch wat mager.

„Die begrafenissen worden steeds zwaarder”, zei hij. „Vroeger werd alles in een straf tempo afgewerkt. Je had een dienst in de kerk, daarna ging je naar het kerkhof en aansluitend was er de cake en de koffie. Tegenwoordig maak ik vaak twee diensten mee. Dan zijn ze vroeger gelovig geweest en moet er toch nog iets in de kerk gebeuren, ook al hebben ze daar na hun vijftiende geen poot meer gezet. Je kunt het merken als de priester of de dominee hun naam verkeerd behandelt: „Gerardus was een trots mens’’. Terwijl hij zijn leven lang gewoon Gerrie werd genoemd.

„Na de kerk moet je dwars door de stad rijden naar een gat twintig kilometer verderop voor de crematie. Weer wachten. Weer toespraken. Weer muziek. Zelf zit je inmiddels ook bijna te sterven, maar dan van de honger. Als je geluk hebt krijg je om vier uur in de middag je lunch: dat ene plakje cake.”

Ik kon aan hem merken dat het onderwerp sterk bij hem leefde – méér in ieder geval dan de mensen over wie het ging.

„Er komen ook steeds meer toespraken”, zei hij. „Eéntje was vroeger heel gewoon, maar de laatste tijd willen grote delen van de familie en de vriendenkring hun zegje doen. Vijf, zes sprekers, gemiddeld een kwartier per spreker. Het lijkt wel alsof ze er geen genoeg van kunnen krijgen. Er zitten ook altijd twee sprekers bij die het vooral over zichzelf hebben en over hoe goed zij de overledene hebben gekend.

„Openhartigheid is ook troef. Dus dan krijg je te horen dat de overledene een zeer ongelukkige jeugd heeft gehad en zelf als getrouwd man ook bepaald geen heilige was – allemaal confidenties waar niemand op zit te wachten.

„Je krijgt nu ook steeds meer mensen die hun eigen begrafenis regisseren. Die hebben een heel draaiboek opgesteld voor de muziek en de sprekers. Dan hoor je iedereen denken: waarom die wel en die niet?”

Zijn wrangste klacht had hij voor het laatst bewaard. „Die muziek! De populaire muziek – James Blunt en zijn Goodbye My Lover, Frans Bauer – is sowieso een gruwel, maar ook de klassieke muziek ervaar ik als een verschrikking. Panis Angelicus! Ave Maria! Schumann: Ich grolle nicht! Ik wil het niet meer horen! Nooit meer! Het is alsof God op mijn borst gaat zitten en beveelt: Huilen! Huilen! Huilen! Waarom zijn er geen begrafenissen zónder muziek?”