Zoek de ironie in het eenvoudige examen Engels

Gisteren was het examen Engels (havo). NRC- redacteur Marieke van Twillert – examenjaar 1986 (vwo), cijfer 7 – bekeek het examen met haar favoriete leraar. Deel 3 van een serie.

De havisten kregen gisteren tien teksten uit kranten en tijdschriften te verwerken voor hun examen Engels. Korte tekstjes, eenvoudig, oordeelt leraar Engels John de Best. „Hier kun je geen onvoldoende voor halen, of je moet nooit aanwezig zijn geweest.” De artikelen waren afkomstig uit kranten als The Observer en The Times, maar dan de gemakkelijke stukjes.

Van de eerste tekst, over het nut van visolie, moesten de eindexamenkandidaten de toonzetting benoemen. „But if fish are so full of brain-boosting oils, how come so many of them end up battered, beheaded and lightly sprinkled with salt and vinegar?” Juist, ironisch dus.

De vraagstelling was hier nog ouderwets multiple choice, concludeert De Best. „Leerlingen hebben er over het algemeen iets meer moeite mee als ze woorden moeten aanvullen, zoals in de tekst Bambi-pamby.” Die gaat over het fenomeen dat Disneyfiguren vooral acceptabel moeten zijn. „Inhoudelijk wel grappig, net als de tekst Some Notes on Reality, over vrouwelijke supermodellen die maar dunner en dunner worden terwijl mannen hun dikke zelf blijven.”

Het lijkt wel, zegt De Best door de telefoon vanuit Zuid-Frankrijk, of de examens Engels steeds makkelijker worden. „Ze worden in elk geval niet moeilijker. Er zijn in het hele examen maar één of twee woorden waarvan de leerlingen misschien nooit hebben gehoord. Albeit – ‘zij het dat’ – is eigenlijk een oud-Engels woord dat je zelden tegenkomt.”

John de Best (55) is afgelopen november gestopt met lesgeven. Sindsdien vertaalt hij boeken en reist hij over de wereld. In 1986 doceerde hij aan de Open Schoolgemeenschap Bijlmer, een middenschool in Amsterdam Zuidoost, waar je de leraren aansprak bij hun voornaam, waar lokalen geen deur hadden en lessen van 80 minuten steevast begonnen en eindigden met een kringgesprek.

De middenschool geloofde niet in cijfers – we kregen gedetailleerde, handgeschreven rapportages – en de meeste leraren gaven les zonder boeken. De lesstof verzamelden ze zelf. De Best: „Ik ben nog steeds tegen boeken. Boekenschrijvers sturen je toch een bepaalde kant op, of ze komen met grammatica, zoals de lijdende vorm, waarvan vmbo’ers helemaal in paniek raken. Daar heb je niks aan. Zelf kan ik beter inschatten waar een leerling aan toe is.”

De Best was leraar geworden omdat hij zelf zo slecht les had gekregen. „Dat moet toch anders kunnen, dacht ik, en ik wilde per se geen kantoorbaan, zoals mijn vader had.” In weerwil van zijn wat ruige imago – hij droeg cowboylaarzen onder een spijkerbroek en een oorbelletje, sommige meiden uit hogere klassen zaten achter hem aan – was hij een consciëntieus docent. „Ik was zeker 80 uur per week bezig. Op zondag zocht ik teksten die ik kon gebruiken. ”

Wij kregen de opdracht de liedtekst van U2’s Sunday Bloody Sunday te ontleden op vorm en inhoud. We lazen The Glass Menagerie en A Streetcar Named Desire van Tennessee Williams. Met zijn vulpen schreef De Best kritisch commentaar in de kantlijn. Ik kreeg er in sierlijk handschrift genadeloos van langs nadat ik Blanche uit Streetcar een onrealistisch zonnig leven had voorspeld. Nu zegt De Best dat hij het liefst literatuur doet. „Je hebt vreselijk mooie verhalen. Bij de behandeling ervan vertellen leerlingen toch iets over zichzelf. Dat kan me nog altijd verrassen: goh, wat slim gevonden.”

De middenschool trok hem aan nadat hij eind jaren zeventig een Vrij Nederland-bijlage over de idealistische school had gelezen. „Wat mij aansprak was de aandacht voor de leerling. Elke leerling werd als mens benaderd.” Nog altijd vindt hij dat het leukst: de klas met leerlingen, ook al is hij al lang weg bij de Open Schoolgemeenschap, is zijn oorbel eruit en heeft hij daarna op andere scholen gedoceerd. „Leerlingen veranderen niet.”

Heeft u ervaring met dit examen? Deel deze op nrc.nl/eindexamen