Staat overvraagt zorgzame burger

De overheid verwacht dat we mantelzorg geven, want ‘thuiszorg’ is er onvoldoende. Verschillende culturen lossen dat verschillend op, zag onderzoeker Riet Hammen.

Nederlanders worden steeds ouder en er komen minder jonge mensen bij. Daardoor neemt de vraag naar ouderenzorg toe, maar neemt het professionele zorgaanbod af. Om aan de vraag te voldoen, zegt het ministerie van Volksgezondheid, zou nu al één op de vier werkenden in de zorg moeten werken. Dat is niet zo. Voorlopig leidt het tot strengere eisen waar burgers aan moeten voldoen om in aanmerking te komen voor professionele zorg.

De overheid verwacht van burgers dat ze meer voor elkaar zorgen. Is het reëel dat mensen elkaar die mantelzorg geven? Riet Hammen-Poldermans vindt van niet. Zij is andragoge, werkte een leven lang in het onderwijs en verdedigt morgen aan de faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit van Tilburg de dissertatie Wie dan leeft… wie dan zorgt?

Hammen onderzocht in hoeverre autochtone en allochtone vrouwen zich van het zorgprobleem bewust zijn; of zij een beroep kunnen doen op informele zorg, zowel binnen als buiten de eigen familie; en of zij bereid en in staat zijn om zelf mantelzorg te verlenen in hun omgeving, ook buiten familieverband. De onderzoekster interviewde tientallen Nederlandse, Molukse, Marokkaanse, Turkse en Surinaamse vrouwen van verschillende generaties. Vrouwen leveren nog steeds het leeuwendeel van de informele zorg.

Veel mensen zien het probleem niet, zegt Riet Hammen. „Mensen leven met het idee van de verzorgingsstaat. Er is toch thuiszorg? Ze worden pas met hun neus op de feiten gedrukt als blijkt dat zij – of hun ouders – daar niet voor in aanmerking komen. Een voorbeeld. Een Marokkaanse vrouw heeft kanker, haar man is al overleden en ze heeft een werkeloze zoon in huis. Ze moet naar de WC geholpen worden en dat is ook in de Nederlandse cultuur een probleem, tussen een zoon en een moeder. Vanwege die zoon krijgt ze geen thuiszorg. Uiteindelijk laat zij een zus uit Marokko komen.”

Autochtone Nederlanders beschikken vaak niet over nabije netwerken en houden hun problemen voor zich. Riet Hammen: „Vroeger woonde oma in huis. Nu zit iedereen achter zijn eigen voordeur en wonen de kinderen ver weg. Mantelzorgers raken gedeprimeerd als zij de zorglast niet kunnen delen.”

Het sociale kapitaal varieert per bevolkingsgroep. „Ik was stomverbaasd toen ik het verhaal hoorde over de pela-band tussen Molukse dorpen. Dat is bijna een familieband. Mensen mogen onderling niet trouwen, maar verlenen elkaar diensten. Een geïnterviewde vertelde dat er daarom in de wijk zeker dertig gezinnen zijn die haar willen helpen. Ook de bereidheid van Surinamers om voor hun ouders te zorgen is geweldig. Marokkaanse en Turkse ouderen moeten het vooral hebben van de familie. Bij Marokkanen blijft het beperkt tot de band tussen moeder en dochter, bij Turken is het wat breder.”

Problemen ontstaan als allochtone dochters de zorgeis van hun moeders niet meer kunnen honoreren, omdat ze gezinstaken moeten combineren met werk. „Surinaamse vrouwen zeggen: ‘verhollandsing begint bij de derde generatie’. Jonge Marokkaanse vrouwen hebben het nog het moeilijkst, want hun moeders zijn veeleisend: papierwerk, bezoeken aan de huisarts. Die dochters moeten regelmatig een middag vrij nemen. En de overheid eist bijna dat zij meedraaien op de arbeidsmarkt. Ik sprak met een jonge vrouw die door deze overvraging de kluts kwijt was.”

En de solidariteit? „Mensen zijn nog wel bereid tot zorg, mits er aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Aan niet-familieleden geven mensen geen structurele, langdurige verzorging, wel veel incidentele, kortdurende zorg. De generatie van 20 tot 40 is pragmatisch; die maakt afspraken op basis van wederkerigheid. Ouderen zeggen vaak dat ze ‘iets voor iemand moeten voelen’, willen ze helpen.”

Kinderen zijn nog steeds bereid voor hun ouders te zorgen. „Zelfs over grote afstanden, maar de mogelijkheden ontbreken vaak. De afstand wordt een steeds groter probleem. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau moeten hooguit 45.000 mensen én voor hun kinderen én voor hun ouders zorgen. Maar omdat steeds meer vrouwen hun kinderwens uitstellen, worden meer ouders zorgvragers als de kleinkinderen nog niet het huis uit zijn.”

De overheid moet niet alleen appelleren aan de zorgzaamheid van burgers, vindt Hammen, maar moet die ook faciliteren. „Je zou vanuit zorgkruispunten (centra met huisarts, tandarts, fysiotherapeut) individuele zorg aan huis kunnen organiseren en vraag en aanbod op buurtniveau bij elkaar brengen. Bij zo’n kruispunt kunnen mensen intekenen naar eigen voorkeur (autorijden, boodschappen doen). De overheid kan zulke zorgverleners honoreren, hetzij in geld, hetzij in aanspraken op zorg. In Duitsland bestaan coöperaties van ouderen. De vitale oudere van zestig helpt een oudere van zeventig die iets niet meer kan. Je kunt kiezen voor honorering in geld of in toekomstige zorguren. Niet gek, want veel mensen zeggen: ik ren me rot, maar wie zorgt er straks voor mij?”

De dissertatie is te vinden op www.eburon.nl.