Socialistische woontorens

In de architectuur wordt originaliteit geprezen. Daarom valt het op als gebouwen op elkaar lijken. In deze aflevering gaat het over de socialistisch-realistische bouwkunst uit de vorige eeuw en hedendaagse navolgers.

Na de kalasjnikov was het socialistisch realisme het succesrijkste exportproduct van de vroegere Sovjet-Unie. In bijna alle communistische landen werd dit de doctrine voor literatuur, muziek, ballet, architectuur en alle andere kunsten. Maar vooral in de architectuur is nooit precies duidelijk geworden wat socialistisch realisme nu precies was.

Socialistisch in inhoud, nationaal in vorm, luidde de uitleg van de architectuurgeleerden in de Sovjet-Unie. Wat nationaal in vorm betekende, was nog nog wel begrijpelijk: socialistisch-realistische bouwkunst moest aansluiten op oude nationale bouwstijlen. Maar hoe een gebouw socialistisch kon zijn, is altijd duister gebleven.

Ook in de Duitse Democratische Republiek (DDR) werd aan het einde van de jaren veertig van de 20ste eeuw het socialistisch realisme ingevoerd. Hoe dat ging, vertelde de Duitse architect Hermann Henselmann eens aan deze krant. Omstreeks 1950 gaf DDR-leider Walter Ulbricht Henselmann en andere architecten de opdracht om een nieuwe ‘pronkstraat’ in Oost-Berlijn te ontwerpen. Als overtuigd modernist leverde hij een ontwerp voor een straat met gebouwen met platte daken, strookramen en galerijen.

Maar Ulbricht en andere DDR-leiders zagen niets in Henselmanns ‘eierdozen’. Ze wilden iets waar de Oost-Duitse arbeiders van konden houden. „Toen mijn moderne ontwerpen voor de Stalinallee werden afgewezen, wilde ik eigenlijk vertrekken uit de DDR”, vertelde Henselmann over zijn afwijzing. „Ik ben naar mijn vriend Bertolt Brecht gegaan om afscheid te nemen, maar die heeft me ervan weerhouden weg te gaan. Hij heeft met mij geworsteld als Jacob met de engel. Hij zei: ‘Ik ben in veel landen geweest en overal is de architectuur hetzelfde. Dat is niet de architectuur die de mensen willen. De revolutie begint pas, dit is een noodzakelijk stadium, je moet geen verraad plegen.’ Hij heeft me overtuigd en van een leerling van Le Corbusier veranderde ik in een leerling van Brecht.”

Vervolgens maakte Henselmann in zes dagen tijd een nieuw ontwerp voor de Stalinallee en omgeving. Toen hij Ulbricht zijn plannen liet zien, zei de partijleider: „Dat gaan we dus bouwen.” En zo geschiedde. Begin jaren vijftig werd in hoog tempo de Stalinallee gebouwd, een brede straat met monumentale gebouwen in Duits-klassieke trant.

Nu heet de Stalinallee Karl Marxallee en is de DDR opgeheven. En Ulbricht en Henselmann zijn dood. Maar het socialistisch realisme niet. Want toen het in het begin van de 21ste eeuw voorgoed leek bijgezet in het rariteitenkabinet van de architectuurgeschiedenis, verschenen in Nederland woon- en kantoortorens die je heel goed ‘socialistisch realistisch’ zou kunnen noemen. Vooral het architectenbureau KOW, waarvoor geen enkele stijl taboe is, bleek goed uit de voeten te kunnen met het socialistisch realisme. In Den Haag en Zoetermeer bouwde dit bureau torens die lijken ontworpen door de Nederlandse zoon van Henselmann, in Enschede is er een in aanbouw. Al deze gedrongen, middelhoge torens hebben, net als die van Henselmann, een klassieke driedeling, met een plint, een lang middenstuk en een bekroning van een klein doosje. Vooral KOW’s Centre Court in Den Haag lijkt op Henselmanns woningcomplex aan de Weberwiese uit 1952 in Berlijn. Niet alleen bestaan ze allebei uit een lager bouwdeel met op de hoek een toren, maar ook hebben beide torens gevels met iets vooruitspringende delen, verticale ramen en een soort penthouse als afsluiting boven. Het belangrijkste verschil is dat Henselmanns toren van natuursteen is en die van KOW van baksteen. Maar dit is geheel overeenkomstig het socialistisch-realistische beginsel dat gebouwen nationaal in vorm moeten zijn: baksteen is tenslotte een oer-Nederlands materiaal.