Religieuze revival

’t Is aan het rollen gekomen door de ravage aan het hek, het oude, statige hek om het rode huis van Maria do Céu. Het ijzer is verbogen, een granieten zuil hangt scheef en tientallen stenen zijn verbrokkeld en in de berm gerold. Een hele hoek is eruit. Het is geen gezicht. Het leek een omheining voor de eeuwigheid en nu zit er een gat in.

Buurman António heeft het hek geramd. Hij moet altijd het pad naast het hoge huis oprijden als hij zijn nederige woninkje, een van de boleten die zich om de moederzwam scharen, wil bereiken. Bij het maken van de draai is hij op het hek geknald. Anders dan knallen kun je het niet noemen.

Hij moet kwaad zijn geweest. Kwaad en moe. Diezelfde dag nog was hij halsoverkop teruggereden uit Frankrijk, waar hij al veertien jaar werkt. Ergens onder Bordeaux.

Alleen in de zomermaanden zagen we hem. Alle kinderen wisten te vertellen dat hij op een hijskraan werkte. Hoog, maar niet hoog genoeg om zijn vrouw in de gaten te houden.

Hij was teruggejakkerd omdat zijn vrouw zwanger was en niet van hem. Een familielid had hem telefonisch op de hoogte gesteld. Het werd tijd, want zijn vrouw had zelfs al gebaard. Het was een donker kind.

Het was een kind van onze pastoor uit Mozambique.

Bij aankomst ging António zich meteen bedrinken in het café. Hij wilde zijn vrouw nooit meer zien. Een minuut later wilde hij zijn vrouw onmiddellijk zien. Weer iets later wilde hij haar nooit meer zien. Waarna hij haar onmiddellijk wilde zien. Zo word je snel dronken.

Kwaad en moe en verblind nam hij vervolgens een hap uit de omheining. Zijn woede was vermengd geweest met een behoorlijke dosis jaloezie en een flinke portie zelfbeklag. Daar kon zelfs het hek van Maria do Céu niet tegenop.

De volgende dag kwam er meer nieuws aan het licht. Er meldde zich nog een vrouw die zwanger was van de zwarte pastoor. Een ongetrouwd meisje, dus voor de omheiningen viel verder weinig te vrezen.

Even hing er een vreemde sfeer in het dorp. Iedere vrouw werd met een schuin oog bekeken. Was het dorp de laatste tijd niet overspoeld door een golf van vroomheid?

Men herinnerde zich vreemde extases.

Er waaide roddel over uit de andere dorpen die de pastoor onder zijn hoede had. Hij had vruchtbaar werk verricht.

Uit onbekende bron dook het nieuwtje op dat de pastoor uit schaamte gevlucht zou zijn. ’t Kon ook zijn dat de grond hem te heet onder de voeten was geworden. Iemand wist met stelligheid te vertellen dat hij gevlucht zou zijn naar Frankrijk.

’t Werd een hele drukte, van en naar dat land.

Ik heb te doen met het fiere hek. Er is toch iets van een monumentje geveld. Het puin blijft precies liggen zoals het in de berm is beland. De ravage herinnert de passerende dorpelingen aan huwelijkstrouw en Afrika.

Maria do Céu heeft vanuit haar vrieskoude burcht in de stad laten weten dat ze eerst persoonlijk wenst terug te keren om de schade op te nemen. Tot dan durft niemand een steen te verleggen.

Gerrit Komrij