Pijnlijk oordeel over Rouvoet

De Algemene Rekenkamer vindt dat minister Rouvoet (Jeugd en Gezin, ChristenUnie) zijn meerwaarde moet aantonen. „Hij creëert een merkwaardig staatsrechtelijk vacuüm.”

Pieter Zevenbergen, lid van het college van de Algemene Rekenkamer, wil niet beweren dat het kersverse ministerie voor Jeugd en Gezin bij de volgende kabinetsformatie beter opgeheven kan worden. Maar programmaminister André Rouvoet moet het bestaansrecht ervan hard gaan maken, meent de Rekenkamer. Gisteren publiceerde de controleur van Rijksuitgaven en Rijksbeleid het kritische rapport Inrichting Programmaministerie Jeugd en Gezin.

De conclusies zijn pijnlijk voor Rouvoet, tevens vicepremier en leider van de ChristenUnie.

De basis voor het ministerie is dan wel gelegd en er zijn stappen vooruit gezet, maar de meerwaarde van het ministerie is „onduidelijk”, zegt Zevenbergen. Rouvoets verantwoordelijkheden zijn „niet sluitend geregeld”, de informatie in zijn begroting 2008 over ingezette instrumenten is het karigst van alle departementen. En de risico’s in de sturing van de uitgaven zijn nooit geanalyseerd. Premier Balkenende erkende gisteren: „De verwachtingen van een programmaminister stemmen niet altijd overeen met de feitelijke bevoegdheden.”

Het is een novum: het kabinet-Balkenende IV vond in 2007 het fenomeen programmaministerie uit. Naast dat voor Wonen, Wijken en Integratie (WWI) kwam er een ministerie voor Jeugd en Gezin. Minister Rouvoet geeft géén leiding aan een ministerie maar is belast met jeugd- en gezinszaken, onderverdeeld in dertien beleidsterreinen. De huidige jeugdproblemen vond het kabinet zo urgent dat deze bij één minister werden ondergebracht. Maar anders dan bij minister Vogelaar (WWI, PvdA) ligt de uitvoering van zijn beleid bij vier andere ministeries (Justitie, Onderwijs, Sociale Zaken en Volksgezondheid) – Vogelaar zit alleen bij VROM. Rouvoets budgetten (een kleine zes miljard euro) worden bij drie ministeries beheerd. Ambtenaren die voor Rouvoet werken, zijn in dienst van hun eigen ministerie en zitten ook niet bij hun bewindsman in hetzelfde gebouw.

Op zijn kamer aan het Lange Voorhout in Den Haag licht Zevenbergen de kritiek toe. Bijvoorbeeld over de onduidelijke afbakening van verantwoordelijkheden. Rouvoet is verantwoordelijk voor de financiële tegemoetkoming van gezinnen, maar zijn collega Piet Hein Donner (Sociale Zaken, CDA) gaat over het inkomensbeleid, ‘in het bijzonder voor gezinnen met kinderen’. „Het subtiele verschil hiertussen kan ik niet ontdekken.” Een ander voorbeeld: Rouvoet is verantwoordelijk voor het bevorderen van een gezonde leefstijl van kinderen en jongeren. Maar de minster van Volksgezondheid is dat ook. En kenners was ook al opgevallen dat alleen staatssecretaris Dijksma (Onderwijs, PvdA) bij de Kamerdebatten over de tekorten voor kinderopvang zat. Officieel gaat Rouvoet ook over kinderopvang.

Zevenbergen: „Twee vissers die in dezelfde vijver vissen kan best, maar uit het verleden weten we dat zodra bewindslieden ergens de coördinatie over krijgen [zoals de D66-minister zonder portefeuille Van Boxtel tussen 1998 en 2002, red.] zij niet benijdenswaardig zijn. Hun resultaten zijn niet opzienbarend.” Rouvoet moet de helft van zijn verantwoordelijkheden met anderen delen.

De Rekenkamer stelt vast dat niet alle verantwoordelijkheden van Rouvoet in de begroting zijn vastgelegd. „Dat is merkwaardig. Hij creëert daarmee een staatsrechtelijk vacuüm.”

Kort na het aantreden van Rouvoet waarschuwde oud-jeugdcommissaris Steven van Eijck in deze krant voor de in zijn ogen bijna onmogelijke positie van de minister. Van Eijck vond dat andere bewindslieden ruimhartig taken moesten afstaan om Rouvoet de nodige slagkracht te geven.

„Dat ligt in het verlengde van wat wij schrijven”, zegt Zevenbergen. „Met dat verschil dat wij een evaluatie voorstellen van wat is bereikt zodat daar lessen uit getrokken kunnen worden.” Twijfelt de Rekenkamer zelf aan de meerwaarde van het nieuwe ministerie? „Als er geen vuiltje aan de lucht zou zijn, zouden wij dit rapport niet hebben geschreven. Maar vooralsnog geven wij de minister het voordeel van de twijfel.” In zijn reactie toonde Rouvoet zich echter niet enthousiast over een evaluatie.

De Rekenkamer heeft goed overzicht over de verschillen tussen departementen. Het ministerie voor Jeugd en Gezin scoort het laagst als het gaat om informatie over de vraag wat zij gaat doen om doelen te bereiken met de beschikbare middelen. „Rouvoet geeft slechts voor 17 procent van alle doelstellingen aan wat hij er voor gaat doen. Voor 83 procent dus niet. Geen ander departement doet het zo slecht.”

Zevenbergen geeft als voorbeeld dat Rouvoet in zijn begroting moet concretiseren hoeveel kinderen naar de voorschoolse opvang moeten om hun taalachterstand in te halen. Of binnen hoeveel jaar hij de leersachterstand van leerlingen met x procent wil terugbrengen. „Dan pas zijn doelstellingen en resultaten naast elkaar te leggen.”

De Rekenkamer ziet veel risico's maar geen risicoanalyse. Zo zouden gegevens van de betrokken ministeries wel eens slecht op elkaar kunnen aansluiten waardoor het lastig wordt verantwoording af te leggen. En wat te doen bij tegenvallers? „Je kunt aanvoelen dat op een van de beleidsterreinen van Jeugd en Gezin tekorten ontstaan die op één van de vier departementen landen en bijgelapt moeten worden. Staat Rouvoet dan voorop of staat hij dan achter in de rij?” Daar had van te voren over nagedacht moeten worden, vindt Zevenbergen.

De kritiek van de controleur is indirect ook gericht aan de Tweede Kamer. Hoe kan het dat de parlementariërs die de begroting 2008 hebben goedgekeurd, alles hebben laten passeren? Zevenbergen: „De Kamer is nu aan zet.”