Personeelstekort onder presentatoren

Televisiekijkers weten heus wel dat niet elk programma live wordt uitgezonden. Direct nadat ik NOS-nieuwslezer Rik van de Westelaken dinsdag met zangeres Hind in een luchtballon boven Belgrado had zien varen, ter introductie van de halve finale van het Eurovisie Songfestival, stond hij alweer op het podium van het Muziekgebouw aan het IJ de Nederlandse Pulitzerprijzen uit te reiken.

Goed initiatief trouwens van de zender Het Gesprek, om de minderheid die geïnteresseerd is in de winnaars van De Tegel, rechtstreeks getuige te laten zijn van het festijn. Het leverde zelfs een gedenkwaardig moment op, toen oud-hoofdredacteur van Vrij Nederland Rinus Ferdinandusse een oeuvreprijs in ontvangst nam voor de zieke Bibeb Lampe (85). De pionierster van het moderne geschreven interview had ooit met Ferdinandusse afgesproken dat ze nooit zelf in de publiciteit zou treden. En ook al die bossen bloemen van geïnterviewden had ze volgens hem altijd teruggestuurd. „Heb je net veertig pagina’s aantekeningen uitgewerkt, dan mag je weer veertig stelen schuin afsnijden”, aldus Ferdinandusse.

De meeste journalisten van tegenwoordig stellen zich minder terughoudend op, als het om aandacht voor hun eigen persoon gaat. Sommige presentatoren zijn zelfs bijna permanent in beeld. Het kwam op maandagavonden wel eens voor dat Matthijs van Nieuwkerk tijdens een reclameblok een sprintje moest trekken tussen studio Plantage en Desmet om zich van het ene rechtstreeks uitgezonden programma (De wereld draait door) naar het andere (Holland Sport) te begeven. Het gaat ons natuurlijk weinig aan wat er achter de schermen gebeurt, als het resultaat maar klopt. Toch krab je je soms achter de oren over het vermeende personeelstekort onder populaire presentatoren.

Ik stond perplex toen ik Twan Huys gisteren aan zag treden als anchorman van Nova. Die zat toch in Cannes om tien dagen lang verslag te doen van het filmfestival? Een half uurtje later liep hij weer rond bij de persconferentie van Clint Eastwood en gesprekjes te voeren met kleurrijke passanten op de Boulevard de la Croisette. Die beelden waren kennelijk eerder deze week ingeblikt. Twan kijkt niet alleen zijn ogen uit aan de Côte d’Azur, hij doet daarvan enthousiast en met scherpe journalistieke intuïtie verslag. De ene dag babbelt hij met bokser Mike Tyson, de andere loopt hij met filmfinancier Frans Afman vip-party’s af, tot een afzakkertje in de notoire nachttent La Chunga, die alleen op vrijdag door de maffia zou worden gefrequenteerd. Het plezier spat ervan af bij Twan, die zich drie slagen in de rondte werkt.

Wat beweegt iemand om een voorlopig hoogtepunt van zijn televisieloopbaan voortijdig te verlaten om in Hilversum over de verantwoording van het kabinetsbeleid te gaan praten? Zo hoog kan de nood toch niet zijn geweest dat collega Joost Karhof geen dienstje wilde overnemen? Of kon Twan zijn gezin niet zo lang missen?

De techniek staat voor niets, dus schoot de gedachte door mijn hoofd dat Nova voor deze gelegenheid decor en regie naar een studio in Cannes had verplaatst. Ook daarvandaan kun je schakelen met Willem Lust in Manhattan (over „de voorverkiezing in die staat daar in het noorden, kom, hoe heet die ook weer, eh, Oregon”) en Nynke de Zoeten in Den Haag. Onzin natuurlijk, het is goedkoper om de presentator even heen en weer te laten vliegen dan om het hele circus te verplaatsen. Maar ik bleef geobsedeerd speuren naar afwijkingen in het lichtplan.

Wat me nog het meest verbaast is niet het heilige geloof in de behoefte van de kijker om steeds dezelfde gezichten tot zich te nemen, maar het hardnekkig vasthouden aan de fictie dat televisie altijd live zou zijn. Bij elke ’s middags opgenomen avonduitzending wordt de band gestopt als de presentator per ongeluk „goedemiddag” zegt, ook al staat de zon zichtbaar hoog aan de hemel. Het minste wat je zou verwachten als er controleerbaar gerommeld wordt, is een kleine toelichting, desnoods in een weblog.