Matras

Op de Prinsengracht kwam mij een lange, magere man van een jaar of veertig tegemoet, die opviel door het tweepersoonsmatras dat hij aan een band over zijn linkerschouder droeg. Het matras was zó zwaar dat hij voortdurend dreigde te kapseizen als een fragiel zeilschip in een orkaan. Het lopen werd hem bovendien bemoeilijkt door de blauwe plastic tas die hij in zijn rechterhand droeg en waarin vermoedelijk de rest van zijn bezittingen zat.

Voet voor voet schuifelde hij zo voort. Toen hij afboog van de gracht en enkele oplopende bruggetjes moest nemen, begon het matras steeds meer op een beroemd houten kruis te lijken en die bruggetjes op varianten van een even beroemde berg.

Zwervers met een compleet matras op de rug, je ziet ze steeds vaker. Misschien heeft het te maken met de nieuwe banken in de openbare ruimte, die bewust zoveel mogelijk van comfort zijn ontdaan om slapers af te schrikken. Dan maar je eigen bedje meegenomen, wij brave burgers zeggen toch ook altijd dat daar niets boven gaat?

De man was inmiddels het gebied van ‘De Negen Straatjes’ ingelopen, een wijk in het Amsterdamse centrum met veel exquise winkeltjes en restaurants. Daar detoneerde hij tussen het goed geklede, winkelende publiek als een vogelverschrikker in een siertuin. Ontwijkende blikken legden stilzwijgend een cordon sanitaire rond hem, terwijl hij voortsukkelde.

Je zou zweren dat hij elk moment kon bezwijken onder zijn reusachtige last, maar dat bleek een onderschatting van zijn krachten. Hij had tot dusver niemand aangesproken, alsof hij ook daarvoor te uitgeput was, maar opeens zag hij aan de overkant van de straat een welgedaan ouder heertje dat zich ontspannen over de stoep voortbewoog.

Het was mooi weer en de zon scheen mild op zijn kalende hoofd. Het leven was misschien ook voor hem soms reuze hard geweest – voor wie niet – maar de laatste tijd had hij niet te klagen. Zo’n heertje.

De zwerver zag dit geluk en wilde er ook iets van hebben. Dat betekende niet dat hij zijn stap versnelde – dat kon ook niet – maar wel dat hij vastberaden zijn koers verlegde en de straat overstak. Het heertje zag hem aankomen. Hij keek snel de andere kant op, naar de etalages van al die mooie winkels, maar hij kon niet verhinderen dat de schorre, onverstaanbare kreet van de ander hem bereikte. Hij bleef staan en wachtte beleefd.

De zwerver begon in korte zinnen op hem in te praten. Het heertje begreep de boodschap, maar helaas, hij kon hem niet helpen. Hij haalde een portefeuille uit zijn binnenzak, maakte hem open en schudde er even mee: zie je wel, sorry, geen kleingeld. Hij knikte vriendelijk naar de zwerver en vervolgde zijn blijde tocht.

Hij kwam niet verder dan twee meter. Toen riep de zwerver weer iets onduidelijks. Het heertje bleef staan, draaide zich om en liep aarzelend terug. Wéér trok hij zijn portefeuille, maar nu haalde hij er een bankbiljet uit en gaf het de man. Die knikte als een geduldige vader die eindelijk krijgt wat hij van zijn kind verlangd had – de ene keer heb je gewoon meer overredingskracht nodig dan de andere keer.

Hij kon weer op weg naar de bestemming die hij niet kende en die bij elke straathoek verder leek terug te wijken.