Invloed manifesteert zich niet in een luchtledig

Een goed idee van de redactie om eens na te gaan hoe het met Nederlands invloed in Europa zit en daar niet alleen Nederlandse, maar ook buitenlandse diplomaten en politici naar te vragen. Het resultaat konden wij lezen in Zaterdag &cetera van 17/18 mei – drie pagina’s lang.

Als ijkpunt was genomen het referendum van 1 juni 2005, waarbij 61,5 procent van de Nederlanders zich had uitgesproken tegen de Europese ‘grondwet’, daarmee, met Frankrijk het Europese staatkundige proces drie jaar lang blokkerend. Was na dit neen Nederlands invloed toe- of afgenomen?

Ook andere gebeurtenissen hadden als ijkpunt kunnen worden genomen en worden terloops ook genoemd: de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, de opkomst en verdwijning van Hirsi Ali. Zij deden de wereld zich afvragen: „Wat is er in dat rustige en berekenbare Nederland in hemelsnaam aan de hand?” Ook Srebrenica is niet onopgemerkt aan het buitenland voorbijgegaan.

De kruisrakettencrisis van begin jaren 80, die Nederland tot een uitzonderingspositie in de NAVO dwong, had ook als ijkpunt kunnen worden genomen. Of, nog verder terug, minister Luns’ soms eenzame verzet tegen de Gaulles plannen voor een Europese Politieke Unie (begin jaren 60), die er toen dan ook niet is gekomen (maar tegelijkertijd moest Nederland Nieuw-Guinea uit handen geven, wat bewees dat er grenzen waren aan zijn invloed). Maar de redactie heeft, terecht de vraag beperkt tot die invloed in Europa.

Nu manifesteert invloed zich niet in een luchtledig, maar in een omgeving, en die omgeving verandert voortdurend. Zo is de Europese Unie sterk uitgebreid. „Het soortelijk gewicht van een land daalt bij elke uitbreiding. Dat is een wiskundige wetmatigheid”, zegt Gijs de Vries, mede-auteur van de verworpen Europese grondwet. Die wet trad al in werking bij Engelands toetreding in 1973, waar Nederland zo voor geijverd had. In 1991 bereikte Nederlands invloed een dieptepunt op ‘Zwarte maandag’, waarover B.R.A. van den Bos zojuist een dissertatie heeft geschreven.

Een drastische verandering van Nederlands omgeving voltrok zich in 1989 met de ‘val van de Muur’. Staatssecretaris Timmermans, ook door de redactie ondervraagd, zegt terecht: „Ik denk dat we onderschatten wat de consequenties van de val van de Muur voor onszelf zijn.”

Inderdaad, de val van de Muur luidde het eind van veertig jaar Koude Oorlog in. Dat betekende een machtsverschuiving in Nederlands Atlantische en Europese omgeving. Immers, voor zijn veiligheid zou Europa voortaan Amerika minder nodig hebben (en vice versa) en in Europa betekende Duitslands eenwording, die nu onvermijdelijk was, een machtsverschuiving ten gunste van dat land en ten nadele van Frankrijk.

Maar niet iedereen had dit toen in Nederland dadelijk door (en vaak nog niet). Een paar maanden na de val van de Muur antwoordde de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, desgevraagd, dat er niets aan de hand was: de pijlers van het buitenlandse beleid bleven de NAVO en de Europese Unie. Op korte termijn had hij gelijk: je gooit geen oude schoenen weg voordat je nieuwe hebt. Maar op lange termijn?

Intussen is gebleken dat de NAVO nog steeds op zoek is naar een nieuwe reden van bestaan en een politiek-strategische conceptie die beantwoordt aan de veiligheidsbehoeften van alle leden: van Estland tot Portugal. In die constellatie is het begrijpelijk dat het altijd zeer Atlantische Nederland geleidelijk opschuift naar Europa, ook wat zijn veiligheidsbehoeften betreft.

Het probleem hier is dat Europa evenmin een veiligheidsconceptie heeft. Daarvoor ontbreekt de nodige politieke eenheid of, bij wijze van alternatief, een hegemoon. In de NAVO werd de hegemonie van de Verenigde Staten over ’t algemeen aanvaard. In Europa aanvaardt niemand de hegemonie van een andere Europese staat. Daarom liepen Frankrijks ambities op dit gebied steeds stuk.

Wat dan, als noch de NAVO noch de EU aan de veiligheidsbehoeften van alle lidstaten kan voldoen? Het lijkt onvermijdelijk dat zij daar dan, ieder voor zich, op eigen wijze in zullen proberen te voorzien: de ene door bondgenootschappen te sluiten, de andere (vooral in Oost-Europa) door Amerika’s hand vast te houden, een derde door tot een soort neutraliteit terug te keren.

In dit verband zei staatssecretaris Timmermans nog iets interessants: „Na de val van de Muur kwamen heel oude Nederlandse reflexen weer op, neutraliteitsreflexen. In de trant van: je moet je niet encanailleren met dat vieze machtsspel op het Europese continent. Dat gevoel is eeuwenoud in Nederland.”

Inderdaad, en ook daarom voelde Nederland zich, als puntje bij paaltje kwam, veiliger onder Amerika’s hoede dan onder een nog niet bestaande Europese paraplu. Dat had bovendien het voordeel dat het Nederland ontsloeg van de noodzaak diep na te denken over een eigen strategie. Dat liet het aan de Amerikanen over. Een soort neutraliteit binnen bondgenootschappelijk verband dus.

Als we er dan nog aan herinneren dat Nederland vóór de Tweede Wereldoorlog honderd jaar lang echt neutraal was (zoals Zweden en Zwitserland nu nog) en dat het zelfs op het toppunt van zijn macht, in de zeventiende eeuw, liever geen oorlogen voerde die vergroting van macht en uitbreiding van het territoir ten doel hadden (maar oorlogen om commerciële belangen niet schuwde), dan is het waarschijnlijk dat het zich heel wel zou voelen in een nieuw soort neutraliteit – mits het de vrijheid zou mogen behouden preken te blijven houden, waar dan nog minder naar geluisterd zou worden dan nu.

Ik wil niet beweren dat ook staatssecretaris Timmermans deze toekomst voor ogen staat, nog minder dat hij haar zou bepleiten, maar uit zijn opmerking over Nederlands „neutraliteitsreflexen” blijkt dat hij zich er heel goed van bewust is van wat soort volk hij de belangen moet verdedigen en wat soort volk hij moet zien mee te krijgen op de door hem juist geachte koers. Dat is al heel wat.

Wilt u reageren? Mail de auteur via dezerdagen@nrc.nl of neem deel aan de onlinediscussie op nrc.nl/heldring