Duistere liederen passen goed bij Hampson

Klassiek Thomas Hampson (bariton) en Wolfram Rieger (piano). Recital met liederen van Schumann, Wolf en Barber. Gehoord: 20/5 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 25/5, 20 uur.

Wat is dat toch met Amerikaanse sterbariton Thomas Hampson? Er zijn de mythes over zijn ijdelheid – dat alle spiegels uit het Concertgebouw naar zijn kleedkamer moeten worden verplaatst, bij voorbeeld. Daartegenover staat Hampsons intellectuele kant, die via zijn stichting Hampsong debat en onderzoek naar het kunstlied stimuleert. En dan is er de inmiddels vertrouwde combinatie van beide eigenschappen, die tijdens zijn recital dinsdagavond frisse bevreemding opwekte. In Schumanns Zwölf Lieder op. 35 bleef Hamspon – traditiegetrouw in zwarte kniejas – bewegingloos staan, de armen langs het lichaam. Als om te verduidelijken: ik ben er wel, maar ík ben er niet. Ik ben de interpreet, het dienend doorgeefluik van tekstdichter en componist. Gelukkig is Hampson zelf veel te karakteristiek om zo’n aanpak natuurlijk te kunnen laten lijken.

Voorafgaand aan een adembenemend breekbaar gezongen Liebst du um Schönheit van Mahler, dat voor velen de betovering van het Mahler Feest in 1995 deed herleven, merkte hij op: „Wat is dit een zeldzaam duister liedprogramma”. De duistere emoties en thema’s die inderdaad overheersten, bleken aan Hampson welbesteed. Al stoorden in Schumann soms nog enkele te bestudeerd aangezette tekstschilderingen, al snel domineerde de bewondering en verwondering over Hampsons instrument. In vocale schoonheid, kracht, wendbaarheid en dus zeggingskracht is Hampson nog steeds enig in zijn soort, en met die eigenschappen brengt hij de intimiteit van het lied en de grootte van de Grote Zaal moeiteloos bijeen. Dat bleek ook in Wolfs Harfenspieler I, II en III, waarin het kernwoord ‘Pein’ soms alarmerend, dan weer klein en gekweld werd uitgelicht. Een komische noot was er ook, even, in Barbers mooi lichte A Green Lowlands of Pianos.

Pianist Wolfram Rieger kreeg met reden een aparte ovatie, omdat juist hij een ongekend illustratieve individualiteit paart aan een antenne voor de balans in de wisselwerking tussen stem en piano. Met name in het naspel van de liederen van Schumann stak Rieger Hampson bijna naar de kroon. Hampson besloot met een toch nog montere preek: godlof dat er poëzie bestaat als wegwijzer en uitlaatklep van de ziel. Dan ben je zelfs in de duisterste ogenblikken tenminste nooit écht alleen.