De les van mei ’68 is:durf weer te dromen

De huidige generatie jongeren staat nergens voor, is een veelgehoorde kritiek.

Maar juist onze ouders hebben de hoop opgeven. Wij moeten weer leren dromen.

Deze maand veertig jaar geleden keek de generatie van onze ouders vol verwachting naar de beelden uit Parijs. De protestbeweging van toen droomde de verbeelding aan de macht. Die verbeelding lijkt ver weggezakt. Verdronken in de calculatie van de markt, gestikt in het cynisme van de ‘War on Terror’ of naar de achtergrond gedrongen door de opmars van nieuw conservatisme en trots op het vaderland.

Waar is de protestgeneratie van nu die daartegen in opstand komt?

Sommige overlevers van ’68 geven ons hun eigen versie van de aloude conservatieve riedel: de jeugd van tegenwoordig wil niet meer. Vroeger was alles beter. „Wij hadden tenminste nog wat om tegen te vechten en gingen de straat op; jullie zijn de generatie niks, jullie zijn te tevreden en hebben geen idealen meer.”

Helemaal eerlijk is dat beeld niet. Niet voor toen, en niet voor nu. Het is misschien niet zo romantisch om nu op te merken, maar niet ál onze ouders sprongen bij het eerste bericht over de barricades in het Quartier Latin al trippend in hun lelijke eend om mee te doen aan de revolutie. Ook toen waren sommige mensen wel actief, en anderen niet.

Hoeveel leden van die generatie waren conservatief, gezagsgetrouw en hooguit gematigd geïnteresseerd in culturele experimenten – of riepen om verandering omdat het in de mode was? En ter verdediging van de generatie nu: grote groepen jongeren (en een respectabele hoeveelheid ouderen) gingen de afgelopen jaren wél de straat op – tegen de oorlog in Irak of tegen de neoliberale globalisering van het IMF en de WTO.

Toch schuilt er een kern van waarheid in het argument van de pessimisten. Een studentenblad in Londen kopte begin ’68 met de leus: ‘Paris – London – Rome – Berlin: We shall fight, we shall win’. Die vanzelfsprekendheid is er niet meer. De meesten van ons werden geboren na Chili ’73 en Polen ’81. We waren kleine kinderen in het no-nonsense tijdperk van Thatcher, Reagan en Lubbers, en tegen de tijd dat we naar de middelbare school gingen en bewuster gingen nadenken over de wereld, overheerste het neoliberale triomfalisme dat ‘het einde van de geschiedenis’ verkondigde. Illusies over een ‘reëel bestaand socialisme’ achter het IJzeren Gordijn konden we niet meer hebben, want de zogenaamd socialistische dictaturen waren al door hun eigen bevolking ten val gebracht.

Het individualisme en de consumptiedwang van de jaren negentig en de jaren nul zijn niet uitgevonden door onze generatie. Ze zijn het resultaat van de wereld die is opgebouwd na het wegebben van de bewegingen van ’68. Een vernieuwd en agressief kapitalisme heeft zich de verworvenheden van toen toegeëigend en heeft ze binnenstebuiten gekeerd. ‘Internationale solidariteit’ betekent nu het openbreken van markten in de Derde Wereld voor de multinationals. Vrouwenrechten en homorechten zijn argumenten geworden voor het bombarderen van Irak en Afghanistan. Naakt poseren in een mannenblad wordt gepresenteerd als de uiterste vorm van seksuele bevrijding. En privatisering van alles – van het onderwijs tot het openbaar vervoer, van zwembaden tot de zorgverzekering – staat volgens de goeroes van de markt gelijk aan keuzevrijheid.

Veel van de kritiek van de generatie van ’68 begon met kritiek op de vervreemding van een maatschappij waarin materiële rijkdom samen ging met culturele armoede, relatieve internationale stabiliteit met een kernwapenwedloop, en de explosie van universiteiten en andere onderwijsinstellingen met de barbarij van napalmbombardementen.

In die kritieken zijn nuttige aanknopingspunten voor vandaag te vinden. Met als verschil dat de materiële rijkdom van nu gebouwd lijkt te zijn op subprime-leningen en consumentenschulden, dat de kloof tussen rijk en arm toen afnam en nu toeneemt, dat niemand meer gelooft in internationale stabiliteit en dat sociale voorzieningen toen werden opgebouwd en nu worden afgebroken.

Toch zijn er ook uitingen van hoop. De beweging tegen kapitalistische globalisering – vanaf haar ontstaan de meest internationale beweging ooit – heeft een deel van de kritieken van ’68 geherformuleerd en nieuw leven ingeblazen. De eerste uiting van deze nieuwe ronde van protest, de opstand van de Zapatistas in Chiapas in 1994, lanceerde met kracht het idee dat de wereld geen product is dat gekocht en verkocht kan worden op de markt. Sinds de protesten tegen de WTO-top in Seattle, nu bijna tien jaar geleden, werden deze ideeën opgepakt en volgden protesten in land na land. Wie aanwezig was bij de demonstraties van 300.000 mensen tegen de G8-top in Genua in 2001 of samen met een miljoen anderen de sfeer heeft geproefd op de slotmanifestatie van het eerste Europees Sociaal Forum weet dat onze generatie niet is gedoemd de generatie niks te zijn.

Maar als we het onmogelijke willen eisen, moeten we ook realistisch zijn. Zelfs de demonstraties in zeshonderd steden tegelijkertijd aan de vooravond van de oorlog in Irak waren niet genoeg om de machthebbers te doen stoppen met hun heilloze militaire avontuur. We hebben dan ook geen barricades gebouwd, zoals in mei ’68. Misschien was dat een fout, of misschien waren de omstandigheden er niet rijp voor. We moeten erkennen dat onze protesten nog niet die impact hebben gehad op onze generatie als de gebeurtenissen veertig jaar geleden op de vorige.

Maar is dat wel het goede ijkpunt? Ook de barricades van Mei waren niet uit de lucht komen vallen. Er was het individuele non-conformisme van de Beatniks. Provo organiseerde in Amsterdam zijn ludieke happenings. En in Nanterre maakte een student de minister van Sport uit voor een nazi en kalkten anderen onbegrijpelijke leuzen op de muur. Het was maart ’68, en de student heette Daniel Cohn-Bendit. Niemand wist toen dat deze onbetekenende uitingen van opstandigheid de voorlopers zouden worden van een protestgeneratie. Dat soort dingen worden niet gepland.

Als wij vandaag actie voeren – soms met veel, en soms met heel weinig – doen we dat niet omdat we denken dat het zal leiden tot een nieuw ’68. We doen het omdat Bush ons permanente oorlog belooft, Al Gore een dreigende klimaatcatastrofe omtovert in een fantastische investeringskans en Verdonk en Wilders Nederland willen veranderen in een ondernemersparadijs achter prikkeldraad. We doen het ook omdat we weten dat soms, als de omstandigheden gunstig zijn, kleine acties kunnen inspireren tot groter verzet.

De grootste uitdaging waar we voor staan, is dat we weer moeten leren te dromen. Eén van de belangrijkste redenen waarom zoveel verworvenheden van de jaren ’60 konden worden teruggedraaid, is dat grote delen van de generatie van toen ophielden te geloven dat een andere wereld mogelijk is. Tussen de smalle marges en de realiteitszin verdween de hoop op fundamentele verandering en echte alternatieven. Gelukkig hebben wij net als de 68’ers niet de goedkeuring nodig van de vorige generatie om in opstand te komen. Sommigen mogen vinden dat we naïef zijn, en anderen mogen glimlachen en zeggen dat ‘zij vroeger ook zo waren’. Weer anderen lopen misschien met ons mee in een komende demonstratie. Want onder de straatstenen ligt nog steeds het strand.

Pepijn Brandon (27) is hoofdredacteur van het weblog socialisme.nu. Hij was nauw betrokken bij de organisatie van een groot aantal protesten en het Nederlands Sociaal Forum.

Lees alle eerdere terugblikken en beschouwingen over de periode mei ‘68 via het speciale nieuwsthema nrc.nl/mei68