Che is bij Soderbergh een man zonder eigenschappen

Zou hij het halen of niet? Vooraf werd er druk gespeculeerd of de Amerikaanse regisseur Steven Soderbergh zijn twee films over de Argentijnse guerillastrijder Ernesto ‘Che’ Guevara (1928-1967) op tijd af zou hebben voor de première op het filmfestival van Cannes.

Maar hij was er. De twee films, Guerrilla en The Argentine, over respectievelijk Guevara’s rol als leider van de Cubaanse revolutie en zijn laatste, desastreuze poging om een revolutie te ontketenen vanuit de jungle van Bolivia, zijn in Cannes vertoond onder de titel Che, als één epos van bijna vierenhalf uur.

Dat is pittig, en Soderbergh had daarnaast de pech – al was het prettig voor zijn deadline – dat de film pas in de tweede week van Cannes te zien is. Dan begint de ‘festival fatigue’ toe te slaan. Ondanks een pauze, waarin Che-overlevingspakketten met water en brood werden uitgedeeld, vielen in de zaal toch ogen dicht.

Het lage tempo en de onbestendigheid van de film hielpen niet mee. Benicio del Toro zet een gezaghebbende en charismatische Commandante Che neer, maar hij is ook een man zonder eigenschappen. Guevara is vrijwel alleen te zien als militair leider, die zijn manschappen leidt en in het gareel houdt. De vuurgevechten zijn kort, oorlog betekent vooral veel wachten en veel praten. In één scène komt het privéleven van de grote revolutionair aan bod: als Che zijn vrouw en kinderen ontmoet, nadat hij een complete gedaanteverandering heeft ondergaan, vlak voordat hij in de illegaliteit zal verdwijnen. Zijn jonge kinderen herkennen hem niet.

De episodes op Cuba zijn in het eerste deel doorsneden met zwart-wit gefilmd materiaal over Guevara’s bezoek aan de Verenigde Naties in New York in 1964, toen hij de Cubaanse minster van Industrie was. Ook is een lang interview te zien van een Amerikaanse verslaggeefster met hem. Dat is opnieuw veel praten, wat niet wil zeggen dat er visueel niets te beleven valt. Met de nieuwste digitale camera’s heeft Soderbergh, met natuurlijk licht, prachtige natuurbeelden gemaakt.

Het eerste deel is het minst boeiend, het tweede deel over Bolivia is beter. Guevara deed niet minder dan een poging om, met een handjevol strijders, een wereldoorlog te ontketenen en zo het imperialisme van de Verenigde Staten definitief op de knieën te dwingen. Dat krankzinnige avontuur dat zijn ondergang werd, past beter bij Soderberghs existentialistische blik dan het vlakkere succesverhaal op Cuba.

In de film ontbreken Che’s duistere kanten, zoals zijn geloof in oorlog als de kraamkamer van het socialisme, zijn bewondering voor Stalin, en de zuiveringen die onder zijn leiding zijn doorgevoerd. Dat Che in Bolivia ook door middel van terreur tegen de plaatselijke boerenbevolking trachtte te overleven, is niet te zien. Wel gaat hij uit woede en frustratie zijn paard te lijf met een mes in de Boliviaanse jungle; een historisch incident dat wordt beschreven in de standaardbiografie van Jon Lee Anderson, die ook adviseur was bij het maken van de films.

Soderberghs grote bewondering voor de Hongaarse regisseur Bela Tarr, een van de langzaamste filmmakers in jaren, is in zijn films nog nooit zo evident geweest. De film is in ieder geval – gelukkig – te eigenzinnig en eigenaardig om te kunnen worden geannexeerd door de mode-industrie, die met de beeltenis van Che Guevara aan de haal is gegaan.