Afgang na EU-complot

Door een geheime operatie leed Nederland in 1991 een gevoelige nederlaag.

Nederlandse politici merkten niets, blijkt uit deze week verschenen proefschrift.

Delors (tweede van rechts) en Dankert (derde van rechts) op het Maastrichtse Vrijthof in 1991. Foto Vincent Mentzel Mentzel, Vincent

Nederland was in de zomer van 1991, in de aanloop naar het Verdrag van Maastricht, het doelwit van een „geheime operatie” van de Europese Commissie, onder aanvoering van commissievoorzitter Delors en enkele ambtenaren rond staatssecretaris Dankert (Europese zaken). Het Verdrag van Maastricht, dat half december werd afgesloten, regelde de nauwere politieke en economische samenwerking in Europa.

Nederland was destijds voorzitter van de Europese Gemeenschap. Delors probeerde achter de schermen via Nederland de positie van de Europese Commissie in het nieuwe verdrag te versterken. Mede hierdoor kreeg het Nederlandse voorstel over politieke samenwerking in Europa een zwaar federaal stempel. Het opzetje mislukte. Er was nauwelijks steun van andere regeringen.

Dankert overleed in 2003. Premier Lubbers en minister Van den Broek (Buitenlandse Zaken), die leiding gaven aan het EG-voorzitterschap, wisten niets van de ‘geheime operatie’.

Dit concludeert de oud-politicus Bob van den Bos (D66) in zijn proefschrift Mirakel en Debacle, waarop hij dinsdag is gepromoveerd aan de Universiteit Leiden. Hij lichtte voor het eerst de Nederlandse besluitvorming rond ‘Maastricht’ grondig door.

Nederland rekende destijds op ruime steun van de EG-partners. Maar die kwam op maandag 30 september 1991 alleen van België. Die datum geldt sindsdien als ‘Zwarte Maandag’ in de Nederlandse Europapolitiek.

„We zijn afgegaan als een gieter”, concludeerde minister Van den Broek destijds. Nederland leed „de grootste diplomatieke nederlaag sinds Nieuw-Guinea”, schreef columnist J.L. Heldring toen in NRC Handelsblad.

„Europese bevlogenheid belemmerde het zicht van Den Haag op de machtspolitieke realiteit”, zegt Van den Bos over de maanden voorafgaand aan Zwarte Maandag. Hij beschouwt de ‘geheime operatie’ als een van de zes hoofdoorzaken van het debacle. „Het is verbazingwekkend dat Nederland in zo veel valkuilen tegelijk terechtkwam”.

De andere vijf waren: te hoge federale ambities, misverstanden, vermenging van de voorzittersrol met belangen van departementen, te sterk vasthouden aan de banden met de VS en verstoorde persoonlijke relaties.

Van den Bos vond het „verdacht” dat Nederland in enkele zomerse weken tijd een nieuw conceptverdrag had gemaakt dat in technisch en juridisch opzicht onberispelijk in elkaar stak, nota bene in het Frans. Niemand vroeg zich af hoe Buitenlandse Zaken dat voor elkaar had gekregen. Van den Bos’ argwaan groeide toen hij erachter kwam dat Dankert in de cruciale weken gewoon met vakantie was in de Pyreneeën en daar heel slecht bereikbaar was geweest.

„Alles combinerende kon het haast niet anders dan dat de Europese Commissie had meegeschreven. Dat werd bevestigd door direct betrokken ambtenaren. Die in Brussel zeiden dat het een absolute prioriteit van Delors was”, aldus Van den Bos.

„Nederland bleek zich op sleeptouw te hebben laten nemen door de Commissie. Door tussenkomst van enkele Haagse ambtenaren die niet met vakantie waren. Lubbers en Van den Broek wisten van niets. Totdat ik het ze eind vorig jaar, meer dan zestien jaar later, kon melden. Stomverbaasd waren ze.”