Waarom heeft ons kleine landje zoveel dialecten?

„Waarom heeft Nederland zoveel dialecten”, vraagt Olivier Knoet uit Elst. „Nederland is klein, vlak en vol water: gunstige omstandigheden voor historische mobiliteit. Waarom zijn het Gronings en het Limburgs dan zo anders?”

Juist die gunstige omstandigheden voor mobiliteit hebben het bestaan van de vele Nederlandse dialecten in de hand gewerkt, aldus Magda Devos, dialectoloog aan de Universiteit Gent.

De Germaanse volkeren konden zich in de eerste eeuwen na Christus over de Lage Landen verspreiden zonder dat zij werden tegengehouden door ondoordringbare oerwouden, gapende kloven of woeste gebergtes. En al die Germaanse volkeren spraken een andere taal. „In Limburg vestigden zich Rijnoeverfranken, in Brabant de Salische Franken”, zegt Devos. „Beide volkeren spraken West-Germaans, maar hun dialect verschilde.”

Weer andere Franken bereikten het hooggelegen Friesland: de Noordzeefranken. In Holland streek een volk neer dat verwant was aan de Friezen, en aan de Saksen. Devos: „Ook de dialecten van Drenthe, Overijssel en Groningen hebben een Saksische oorsprong.”

Door verstedelijking is het grote aantal dialecten dat Nederland van oudsher heeft tot in de twintigste eeuw blijven groeien. „Steden zijn haarden van taalvernieuwing. Bij mensen bestaat de drang om zich talig van anderen te onderscheiden, zowel van andere sociale klassen als van andere streken.”

Dus hoe dichtbevolkter een gebied, des te groter de dialectische verschillen. Siberië kent weinig dialecten en ook de Fransen die langs het uitgestrekte Centraal Massief wonen, kunnen elkaar prima verstaan. Maar in Nederland zitten er soms maar enkele kilometers tussen de talige invloedssfeer van steden.

Sinds de opkomst van moderne massamedia en de toename van het mondiale verkeer, ziet het er voor dialecten weinig hoopvol uit, volgens Devos: „We zijn te mobiel geworden, en de media te alomtegenwoordig. De televisie slingert de standaardtaal elke huiskamer binnen. In zo’n samenleving is geen plaats meer voor oude, streekgebonden dialecten.”

Ingmar Vriesema