Waar komt dat heimwee naar Van Agt toch vandaan?

In de krant zag ik een foto van het Catshuis, waar Van Agt werd gehuldigd omdat drie geleerden zijn biografie hebben geschreven. Meestal wachten ze in de wetenschap met zulke boeken tot iemand dood is, maar misschien hadden de auteurs geen geduld meer. Of ze dachten: dit leven is klaar, daar komt toch niks meer bij.

Centraal op de foto luisteren vijf mannen en een vrouw naar een buiten beeld gehouden spreker die zojuist een grap moet hebben verteld. Vier van de vijf mannen schateren het uit. De mevrouw, uiterst rechts in het rijtje – zou zij hét ‘vrouwtje’ kunnen zijn, dat wij ons nog herinneren als ‘Eutie’? – glundert discreet. En helemaal links zit het feestvarken, de handen gevouwen op een witte wandelstok, het hoofd afgewend en half gebogen, maar je ziet aan z’n lichaam dat hij mee geniet en het niet wil laten merken omdat het kennelijk over hém gaat, of misschien wel omdat de kapitale grap waar de anderen van schuddebuiken, onmiskenbaar zijn grap is geweest.

Zoals je in de emblematiek 17de eeuwse getekende of gegraveerde voorstellingen tegenkomt van haat, liefde, verderf of verhevenheid, zo kreeg je hier ineens de volmaakte verzinnebeelding cadeau van ijdele, valse bescheidenheid. Zomaar, op een nieuwsfoto.

Welke kostelijke anekdote bij de presentatie aan de orde was, kon ik niet achterhalen. Wie weet was het de verzuchting van de zojuist aangetreden minister van Justitie die zich in 1973 al zorgen maakte over de Drie van Breda met wie hij het weleens lastiger zou kunnen krijgen dan zijn voorganger die immers veel ouder was geweest, en ook nog Polak had geheten. ‘En ik ben een ariër’, had hij verduidelijkt.

Typisch Agtiaans.

Dat stond boven een stuk in de Volkskrant dat uitpuilde van nostalgie naar die onvergetelijke jaren waarin we vanwege Bestek ’81 op het definitieve Ethisch Réveil mochten wachten, terwijl Wiegel in een koetsje naar het Binnenhof reed om de vergadering van de Staten Generaal te sluiten.

Waar komt dat heimwee toch vandaan? Ik zou ’t niet weten. Misschien waren de jaren zeventig de eerste jaren waarin politici en verslaggevers heilloos in elkaars bedoening verstrengeld raakten. En dat stemt sentimenteel ‘We zijn met velen’, las ik in het Volkskrantartikel, ‘wij journalisten van dertig jaar geleden en wij politici van dertig jaar geleden’. Het één-pot-natbeginsel, dat een einde maakte aan het ver verleden tijdperk waarin journalisten nog hinderlijke luizen in elke gezaghebbende pels waren, in plaats van gecoiffeerd boeken vol en dagen lang over de tekortkomingen van hun eigen vak te discussiëren.

Wiegel en Van Agt hebben er wel bij gevaren. Om redenen die latere geschiedschrijvers nooit zullen kunnen uitleggen, is Wiegel veertig jaar lang beroemd gebleven als de man die vanuit de obscuurste uithoeken van het land elk moment naar Den Haag kon terugkeren om het premierschap op zich te nemen. En Van Agt bleef onveranderd de ‘betoverende figuur’(ik citeer nog maar even), ‘een geestige, charmante man. Nooit weet je zeker of hij je wel de waarheid vertelt, hij beseft het zelf als eerste, en ook daarvan weet hij een spel te maken’.

Een geboren tricheur zou je in ’t Frans zeggen. ‘Alles is dubbelzinnig’, schreef de Volkskrant bewonderend.

Het is een raadsel: een man die alles wat hij zei, verzweeg, geloofde en verdedigde, eigenlijk niet zei, niet verzweeg, niet geloofde en niet verdedigde – een man aan wie dus niets authentiek was, behalve de dubbelzinnigheid. En toch een nationaal monument. Zelfs het feit dat hij op later leeftijd Israël ontrouw werd, en Arafat omhelsde, is hem vergeven. Maar op dat punt heeft hij ook altijd open kaart gespeeld: ik ben een ariër.

Eerdere columns zijn te lezen op nrcnext.nl/blokker