Voor geschiedenis moest je echt stampen

Gisteren was het examen geschiedenis (havo). Karin de Mik – examenjaar 1978 (vwo), cijfer 8 – bekeek het examen met haar favoriete leraar. Deel 2 van een serie.

J. Lamaker Foto Hoge Noorden 19-05-2008 NRC Harlingen Geschiedenisleraar John Lamaker ©Foto: Hoge Noorden/Jaap Schaaf Schaaf, Jaap;Hoge Noorden

Op het schilderij Na de Slag bij Sedan kijkt de Duitse kanselier Bismarck trots voor zich uit. Hij lijkt losjes te leunen op zijn zwaard. Naast hem de verslagen Napoleon III, zonder uniform, letterlijk met lege handen. De bijbehorende vraag bij het havo-examen geschiedenis luidde of een Franse of Duitse schilder het werk heeft gemaakt.

John Lamaker (65), van 1972 tot 2003 leraar geschiedenis aan de regionale scholengemeenschap Simon Vestdijk in Harlingen, vindt het een leuke vraag. Hij stoorde zich vroeger weleens aan examens waarmee luie, maar intelligente leerlingen wegkwamen. „Voor dit examen moest je flink gestampt hebben. De meeste vragen kon je alleen beantwoorden als je de stof behoorlijk onder controle had.”

Binnen een paar jaar maken alle leerlingen het nieuwe geschiedenisexamen, waarin de nadruk ligt op algemeen historisch besef. Dit oude examen was nog, zoals gebruikelijk, verdeeld over twee onderwerpen: de koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands-Indië en de Europese oorlogen tussen 1789 en 1919. Veel vragen behandelden bronnen als brieven, foto’s en cartoons.

Het verbaast Lamaker dat er zulke lange periodes zijn gekozen. „Het gevaar bestaat dat je deze stof als docent in drie maanden alleen oppervlakkig kunt behandelen. De tijd is te kort om er dieper op in te gaan.” Voor leerlingen was het examen goed te doen, vindt hij.

Als „leuke bron” noemt hij de tekst over een Engelse die in de Eerste Wereldoorlog in een munitiefabriek werkte. Kan de leerling argumenten noemen waarom de oorlog de emancipatie van de vrouw heeft bevorderd? Je moet goed lezen en goed nadenken, concludeert Lamaker. „Vrouwen werden belangrijk voor de oorlogseconomie en voor de maatschappij. Hun staking voor hogere lonen heeft succes gehad.”

Lamaker was in mijn schooltijd, in de jaren zeventig, een linkse, geëngageerde leraar. Leerlingen stonden van woede op de banken toen hij meldde dat de Verenigde Staten schuldig waren aan de oorlog in Vietnam. „Boze ouders belden de rector. Ze vonden mij een communist.” Lamaker vond het zijn taak als leraar geschiedenis om vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen. „Ik wilde ontmythologiseren, alles doorprikken wat door te prikken viel. Als ik de oorlogen van Israël tegen de Arabieren behandelde, belichtte ik ook de zijde van de vermorzelde Palestijnen. En nee, dat werd niet altijd gewaardeerd.”

Hij gebruikte moderne lesmethoden. We zaten in zijn klas in carrévorm. Lamaker was de enige leraar die de bankjes zo opstelde op de degelijke scholengemeenschap – 1.000 leerlingen – met de strenge rector. „Ik wilde alle leerlingen in de ogen kunnen kijken”, licht Lamaker toe. „Dan kon je meteen hun aandacht vasthouden.” Ook introduceerde hij groepswerk. „Ik ging zelfs zo ver dat ik proefwerken door groepjes leerlingen liet maken.”

Wat me aansprak, was dat hij de hedendaagse binnen- en buitenlandse politiek in perspectief plaatste en die kritisch benaderde. Zo ontstond het besef dat het heden voortvloeit uit in het verleden gemaakte keuzes. Engagement is het enige wat Lamaker mist in het examen. „Het is wel erg politiek correct. Men heeft zijn mond niet willen branden aan gevoelige kwesties als: was het nu wel of niet goed wat we in Indië hebben gedaan? Nederlandse wreedheden krijgen geen aandacht.”

De laatste vraag van het examen luidde: waarom is Indonesië geen democratie geworden? Lamaker: „Voor mijn gevoel wilde men hier duidelijk maken dat de Indonesiërs faalden om het door ons ingezette proces op weg naar een democratie te verwezenlijken.”

Heeft u ervaring met dit examen? Deel deze op nrc.nl/eindexamen