Tolweg aantrekkelijk voor investeerder

Wie had gedacht dat Citigroup verantwoordelijk zou zijn voor de grootste privatisering van het jaar? De ‘alternatieve’ beleggingstak van de worstelende bank heeft samen met de Spaanse tolwegmaatschappij Abertis een bod van 13 miljard dollar (8 miljard euro) uitgebracht op een leasecontract met een looptijd van 75 jaar met betrekking tot de Pennsylvania Turnpike – een tolweg in de Amerikaanse staat Pennsylvania.

De transactie zal een miljardenuitgifte van obligaties vergen, wat geen geringe opgave is onder de huidige marktomstandigheden. Het toont aan dat infrastructuurprivatiseringen momenteel een betere kans van slagen hebben dan gewone bedrijfsovernames met geleend geld.

Dat wil niet zeggen dat het makkelijk zal zijn. De kapitaalstructuur van ná de overeenkomst zal waarschijnlijk een groter percentage vreemd vermogen kennen dan recente private-equitytransacties. Beleggers zullen zich tot verscheidene obligatiemarkten moeten wenden om kapitaal binnen te halen, dus de structuur zal gecompliceerd zijn. En er is een verschil ten opzichte van traditionele infrastructuurdeals, waarbij beleggers slechts voor één markt kiezen: de markt die de beste voorwaarden biedt. Bovendien zal het geruime tijd duren voordat de transactie kan worden afgerond. Bieders hebben hun offertes meer dan een jaar lang kunnen aanscherpen. En de berucht xenofobische wetgevers van Pennsylvania moeten de overeenkomst nog goedkeuren, wat al snel een paar maanden extra kan kosten.

Ook zijn niet alle beleggingen in infrastructuur even succesvol. De Australische bank Macquarie was de meest agressieve belegger in Amerikaanse tolwegen. Maar de bank heeft slechts 8 miljard dollar geboden voor de Pennsylvania Turnpike. Toch is de deal van Citigroup meer dan vijf maal zo groot als de grootste Amerikaanse private-equitydeal van dit jaar, en neemt hij dit jaar meer dan de helft van het totaal aan met geleend geld gefinancierde Amerikaanse fusie- en overnameactiviteiten voor zijn rekening, aldus onderzoeksbureau Dealogic. Maar infrastructuurconsortia hebben een streepje voor op overnamebaronnen – om een aantal goede redenen.

Infrastructuurbezittingen hebben over het algemeen een voorspelbaardere kasstroom dan de doorsnee overnamekandidaat. Daarom voelen beleggers zich er prettiger bij, vooral omdat er geld geleend kan worden met de bezittingen als onderpand.

Beleggers in infrastructuurdeals hebben ook lagere rendementsverwachtingen dan private-equitybeleggers. Ze zien de rendementen als een terechte compensatie voor hun vermogen om langetermijnbezittingen en risico’s tegen elkaar af te wegen. Tenslotte worden de krap bij kas zittende gemeenten en staten waarschijnlijk bereidwilligere verkopers als de inzinking van de economie en de huizenmarkt grote happen uit hun begrotingen heeft genomen.

Tel dat allemaal bij elkaar op, en het is niet geheel verrassend om te zien dat infrastructuurtransacties de plaats lijken in te nemen van bedrijfsovernames met geleend geld.

Lauren Silva