Los wapperende vingers aan zijn linkerhand

Valery Gergjev neemt na twintig jaar afscheid als chefdirigent van het RphO.

Met drie concerten, een huldiging, een cd-box en een tv-film.

„Het is voor een dirigent belangrijk om jong te beginnen. Al op mijn achtste zei mijn pianolerares: je moet dirigent worden. Ik begreep daar helemaal niets van. Ik was erg beleefd en erg verlegen. En ik kon nog zo weinig, alleen heel eenvoudige stukken van Beethoven en Mozart op de piano spelen.

„Bij concerten in de Kaukasus zag ik voor het orkest een man die er een beetje lachwekkend uitzag. Hij was kort en maakte grappige gebaren en sprongetjes. Ik kon er alleen maar om lachen. Zou ìk dat moeten gaan doen? Pas later begreep ik dat hij de musici aan het inspireren was en de muziek richting gaf.”

Valery Gergjev (55) is een geboren dirigent. „Toen de dirigent Anatoli Briskin mij op mijn vijftiende piano hoorde spelen, zei hij: ‘Ik denk dat ik van jou een dirigent kan maken’. Mijn vader was toen al overleden, ik was heel serieus, ik voelde dat ik iets nieuws moest beginnen. Alle Beethoven-symfonieën leerde ik van hem op het Conservatorium van Leningrad, nu Sint Petersburg. Daarna wat Brahms, Tsjaikovski, Schubert, Bizet. Ik begon te begrijpen dat dirigeren iets heel rijks is, groots maar ook erg verantwoordelijk werk, veel moeilijker dan piano spelen.”

De fysieke présence en uitstraling van Gergjev zijn charismatisch. Dat bleek ook uit de film The Master and his Pupil van Sonia Herman Dolz over een masterclass voor aankomende dirigenten die Gergjev in 2002 gaf tijdens zijn Gergjev Festival. Gergjev stond achter de jonge dirigent en vond er van alles van. En al dirigeerde Gergjev niet, zijn body language was overduidelijk. Het orkest keek vooral naar hem en speelde zoals hij het wilde.

Gergjev: „Het is belangrijk om met jonge dirigenten te werken. Bijna dertig jaar geleden werd ik al door mijn leraar Ilja Moesin gevraagd om een paar maanden met zijn dirigentenklas te werken. Hij werd aan zijn hart geopereerd. En ik was nog heel jong. Op mijn 24ste had ik al in het Mariinski Theater gedirigeerd, ik was jonger dan sommige leerlingen. Op mijn 34ste was ik artistiek leider van het theater.

„In mijn conservatoriumtijd hoorde ik de concerten van Jevgeni Mravinsky, een van de grootste dirigenten aller tijden bij een orkest dat een van de beste aller tijden was. Ik voelde me geprivilegieerd. Ik hoorde daar ook het Concertgebouworkest met Haitink in een tijd dat je nauwelijks buitenlandse orkesten hoorde. Het was voor mij nogal een sensatie dat er in de wereld nóg een groot orkest was, maar met een heel ander geluid. De houtblazers waren erg licht.

„Ik hoorde de Bruckner van Haitink, met die lange lijnen. Heel anders dan die angstwekkende Bruckner van Mravinsky. Die Bruckner was een natuurverschijnsel, alsof God zelf sprak. Daarna hoorde ik daar Amerikaanse orkesten, de Berliner met Karajan. In 1977 won ik het Karajan-dirigentenconcours in Berlijn. Ik sprak met Karajan, hij geloofde in rijke sonoriteit, eindeloos zingen.

„Van Mravinsky leerde ik het scheiden van de orkestsecties, van Karajan leerde ik hoe je die kunt mengen en er één stem van kunt maken met een gouden klank waarbij het koper door de strijkers heen klinkt. De strijkers zijn dan als honing om dat koper heen. De Leningradse traditie was dynamiek: heel geleidelijk van viervoudig piano tot vijfvoudig forte.

„Ik ben heel blij dat ik zo lang in Leningrad was en nog als jongen ben opgeleid in die Russische school die toen op een hoogtepunt was: solisten als Richter, Gilels, Oistrakh, dirigenten als Mravinsky en Kondrasjin, die veel repertoire deed dat Mravinsky niet dirigeerde, zoals Bartók.

Verbazing wekte Gergjev in Nederland met zijn wisselende dirigeertechniek. Wel altijd die los wapperende vingers aan zijn linkerhand. Maar in de rechterhand soms geen stokje, dan weer een gewone stok of een ministokje van sigarettenformaat. „In de opera, als het koor 25 meter weg staat, voel ik met altijd erg goed met de gewone stok. Dat kleine stokje dwingt het orkest tot grotere oplettendheid. Zonder stok ben ik flexibeler, de klank expressiever. Karajan deed bijna alles zonder. In New York heb ik de Zesde symfonie van Mahler gedirigeerd met een Japans eetstokje.”

Gergjev is geen fanatiek repeteerder. Niet alleen had hij er bij zijn Rotterdamse orkest weinig tijd voor wegens zijn talloze concerten elders, hij gelooft ook niet in een exacte voorbereiding.

„Ik repeteer zo weinig mogelijk, Bij de Eerste symfonie van Mahler gebeurde hier in Rotterdam van alles, waarvan het orkest tevoren geen enkel idee had. Ik repeteer sfeer, niet een bepaald tempo of een speelkarakter voor de ene maat en voor de andere maat. Ik probeer het orkest voor te bereiden op een algemeen begrip voor wat de symfonie vereist. Het instuderen van detaillering, de samenspraak van stemmen minutieus repeteren, dat gaat vaak later weer verloren. Het echte werk moet gebeuren tijdens het concert.”