Landbouwgeld voor natuurclubs

Nederlandse boeren krijgen jaarlijks 850 miljoen subsidie van Europa.

Een flink deel daarvan gaat straks naar milieu en landschapsbescherming.

Europese subsidies voor de landbouw gaan in de toekomst waarschijnlijk niet alleen meer naar boeren. Ook een natuurbeschermingsorganisatie als Natuurmonumenten kan straks subsidie krijgen uit de Brusselse landbouwpot, want ‘landbouw’ gaat tegenwoordig ook om landschapsbeheer en milieubescherming.

De Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EU, heeft gisteren voorstellen voor de tussentijdse hervorming van het Europese landbouwbeleid gepresenteerd. Daaruit blijkt dat traditionele landbouwsubsidies worden overgeheveld naar plattelandsontwikkeling. Daar vallen allerlei kwesties onder die niet per se met de landbouw zelf te maken hebben.

De plannen kosten de Nederlandse boer „160 à 200 miljoen euro” per jaar, stelt boerenvoorman Albert Jan Maat, voorzitter van de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO). „Verbazingwekkend”, zegt Maat, die niet tevreden is met de Europese voorstellen. Nederlandse boeren ontvangen jaarlijks in totaal zo’n 850 miljoen euro subsidie uit Brussel.

In de plannen van de Deense landbouwcommissaris Mariann Fischer Boel staat dat grote ontvangers van inkomenssteun via een progressieve schaal steeds meer subsidie zullen verliezen. Dat geld moet gaan naar vier speerpunten binnen de plattelandsontwikkeling: klimaatverandering, bio-energie, waterbeheer en biodiversiteit. En als het gaat om het stimuleren van de biodiversiteit, zo erkennen Brusselse ambtenaren, zou Natuurmonumenten net zo goed geld kunnen krijgen als een boer die zich inzet voor de bescherming van weidevogels.

De Europese Unie had juist „extra ruimte moeten geven aan ondernemers die iets willen”, meent Maat. Die ruimte is er volgens hem nu onvoldoende. Zo wil de Commissie het melkquotum tot de afschaffing in 2015 elk jaar met 1 procent verruimen. De LTO wil 2 procent verruiming per jaar, zodat melkveehouders kunnen profiteren van de gestegen prijzen op de internationale markt.

Tegelijkertijd wil Maat dat er een vangnet blijft bestaan voor boeren, want onzekerheden blijven bestaan. „Landbouwbeleid blijft nodig”, zegt Maat. De toeslagen die boeren nu krijgen, moeten volgens Maat gehandhaafd blijven. Boeren die vroeger namelijk werden beloond voor hoge productie van melk of graan, krijgen sinds enige jaren een soort basisinkomen, onafhankelijk van wat ze produceren. Wel zijn er randvoorwaarden. Zo moeten ze voldoen aan alle voorschriften op milieugebied.

Dit extra geld blijft hard nodig, blijkt uit cijfers van de Europese Unie. De gemiddelde Nederlandse akkerbouwer verdiende vorig jaar, samen met zijn meewerkende partner en ondanks recordhoge graanprijzen, slechts een bruto jaarinkomen van 44.000 euro. De helft daarvan was te danken aan een Europese toeslag van 22.000 euro. De reden: ook al waren de graanprijzen hoog, door het aanhoudende slechte weer viel de oogst erg tegen. De zuivelhouder deed het vorig jaar iets beter met 84.000 euro gezinsinkomen, inclusief 27.000 euro steun uit Europa. Maar een jaar eerder, in 2006, was de melkveehouder voor meer dan de helft van zijn inkomen van de steun afhankelijk. Zijn bruto jaarinkomen was 52.000 euro, inclusief diezelfde 27.000 euro steun. In dat jaar was de voedselhype nog niet begonnen.

Dankzij betere marktinformatie moet de boer beter kunnen gaan inspelen op ontwikkelingen als de onlangs snel gestegen vraag en voedselprijzen, meent Herman Versteijlen, directeur directe steun bij de Europese Commissie in Brussel. Liberalisering is daarom gerechtvaardigd, ook al zullen prijsschommelingen in Europa daardoor toenemen. Maar als de steun helemaal verdwijnt, stelt Versteijlen, komt er „een koude sanering waardoor alleen heel grote bedrijven overblijven. Het is de vraag of we dat willen.”

De plannen van Fischer Boel worden nu aan de Europese landbouwministers voorgelegd. Zij moeten in november tot een akkoord komen. LTO-voorman Albert Jan Maat vindt dat het geld dat bij boeren wordt weggehaald, moet worden besteed aan zaken waarvan boeren direct profiteren, zoals een oogstverzekering of een diergezondheidsfonds ter bestrijding van dierziektes.