Drempel telkens lager bij DNA-onderzoek

De politie zou het liefst van elke arrestant DNA-materiaal afnemen. De wet wordt steeds ruimer, maar zo ver wil de minister niet gaan. Dat zou in strijd zijn met de mensenrechten.

Drie hoeraatjes voor de DNA-databank van het Nederlands Forensisch Instituut, waarin nu zo’n 35.000 sporen zitten en 53.000 DNA-profielen van personen. Een aantal weken geleden was er een ‘hit’ – een spoor bij exact één persoon. En gisteren werd een nieuwe verdachte aangehouden in een zaak waarin justitie eerder opzienbarend dwaalde: de Puttense moordzaak. En nu de gedachte vasthouden dat ook deze persoon onschuldig is totdat het tegendeel bewezen is. Met DNA-bewijs kan dat lastig zijn. DNA lijkt immers een tovermiddel. Maar dat is het niet.

Waarschijnlijk zullen DNA-matches als die van gisteren vaker voorkomen, naarmate de NFI-databank verder volloopt als gevolg van de nog nieuwe Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. En afhankelijk van de snelheid waarmee criminelen tegenmaatregelen treffen. Ook moet de onderzoekscapaciteit van het NFI gelijke tred houden. Uit het jaarverslag over 2006 werd duidelijk dat er toen 64.000 analyses zijn gedaan, maar er nog 14.000 op de plank lagen. Het aantal opgeslagen profielen groeit explosief. In 2005 beschikte justitie nog maar over 6.250 ‘personen’ en krap 20.000 sporen.

DNA-onderzoek wordt ook regelmatig toegepast om daders onder de bevolking in de buurt van een delictplaats te vinden. In veertien onderzochte bevolkingsonderzoeken tussen 1999 en 2004 werd zo in drie gevallen de dader aangewezen. In nog drie zaken droeg DNA-onderzoek zijdelings bij aan het vinden van de dader.

Vanaf volgend jaar mag DNA-afname wettelijk ook bij zogeheten ‘stelselmatige daders’ – mensen die in vijf jaar meer dan tien keer met de politie in aanraking kwamen. Het gaat dan ook om eenvoudige delicten als vernieling, mishandeling of beschadiging. De drempel voor DNA-onderzoek wordt dus al lager. Het enthousiasme voor dit type onderzoek is onverminderd groot, zowel bij de opsporingsinstanties en als bij veel Kamerfracties. Ook minister Hirsch Ballin zet regelmatig nieuwe stappen, maar houdt ook strak de rechtsbescherming van verdachten in het oog. Hij wil strikt vasthouden aan DNA-onderzoek alleen bij strafrechtelijk veroordeelden, bij een specifiek onderzoeksbelang. Aandrang om wangslijm standaard bij iedere politieaanhouding af te nemen – zoals in Groot-Brittannië – weerstaat hij. Dat is wat de politie het liefst wil.

DNA-onderzoek is, net als bloedonderzoek, een inbreuk op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer – mensenrechten die alleen mogen worden beperkt als daar in een „democratische samenleving een dringende sociale noodzaak voor is” is, zoals het Europese Hof in Straatsburg steeds weer vaststelt. Juridisch is het een inbreuk op het nemo tenetur-beginsel: niemand kan gehouden worden mee te werken aan zijn eigen veroordeling. De advocatuur brengt steeds in herinnering dat DNA-afname een dwangmiddel is en bovendien een inbreuk op het lichaam.

Door de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden uit 2004 mag wangslijm afgenomen worden bij veroordeelden van ernstige misdrijven, tegen hun wil, mits afname het onderzoek dient.

Vervolg Putten: pagina 3

Daders wissen DNA

De minister stelt de Kamer voor dat ruimer toe te laten. Ook als er in de betreffende zaak bijvoorbeeld helemaal geen biologische sporen zijn gevonden. DNA-informatie uit de databank kan dan naar andere gelijksoortige zaken leiden. DNA-informatie als een soort sleepnet wijst Hirsch Ballin echter af. Afname uitsluitend „teneinde eventueel andere strafbare feiten op te lossen die de verdachte wellicht reeds heeft gepleegd of in de toekomst zal plegen” is voor hem uit den boze. Er moet steeds een duidelijk verband blijven met de zaak waarin het onderzoek wordt verricht.

Hirsch Ballin erkent ook de beperkingen van DNA-onderzoek. Het is weliswaar eenvoudig, betrouwbaar en snel, maar toch vertelt DNA alleen dat een spoor vrijwel onomstotelijk bij een bepaalde persoon hoort. „Het geeft niet de zekerheid dat die persoon ook daadwerkelijk op de plaats van het misdrijf is geweest of dat hij de dader van het misdrijf is” aldus de minister in maart van dit jaar in een nota aan de Tweede Kamer.

Daders zijn zich ook steeds meer bewust van DNA-sporen. Steeds vaker worden gebruikte auto’s na afloop in brand gestoken, of de kleren van het slachtoffer. Ook wordt geregeld celmateriaal van onschuldige derden op de plaats delict achtergelaten om de politie op een dwaalspoor te brengen. Verder herinnerde de minister er aan dat de politie lang niet altijd sporenonderzoek doet, kan doen of het nuttig vindt om het te doen.