De roots van Rita liggen in multiculturalisme

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: het soort politiek dat Rita Verdonk bedrijft.

Volgens de laatste peilingen zou Trots op Nederland (ToN) uitkomen op ruim 26 zetels in de Tweede Kamer. De beweging van Rita Verdonk zou daarmee de tweede partij van Nederland worden, vlak achter het CDA (circa 29 zetels). Dat rechtvaardigt de vraag wat voor soort politiek het is dat zoveel kiezers kennelijk aanspreekt – zeker omdat de politieke aspiraties van de beweging inhoudelijk nog steeds vrij onduidelijk zijn. Een samenhangend partijprogramma is niet voorhanden en volgens Verdonk bovendien „niet nodig”. Op welke plek in het politieke spectrum moet ToN dan worden geplaatst?

Het soort politiek dat Verdonk bedrijft staat in de politieke filosofie al sinds de tweede helft van de 20ste eeuw bekend als politics of identity – ofwel identiteitspolitiek. Volgens de Britse filosoof Michael Kenny onderscheidt deze politiek zich op twee punten van de traditionele politieke stromingen: ze is niet gebaseerd op een coherente ideologie en heeft geen afgebakende achterban wiens belangen ze behartigt. Alle andere politieke partijen in Nederland – op de PVV na – bezitten deze kenmerken wel: de SP en de PvdA zijn geworteld in het socialisme en komen op voor respectievelijk de sociale onder- en middenklasse; het CDA en de ChristenUnie baseren zich op het christendom en representeren het gezin; en de VVD, D66 en GroenLinks zijn gefundeerd op het liberalisme en vertegenwoordigen de sociale bovenklasse.

Identiteitspolitiek is anders: zij is gebaseerd op, zoals het woord doet vermoeden, de collectieve identiteit van een bepaalde groep mensen. In het geval van ToN gaat het om de ‘Nederlandse identiteit’ – een groep die zichzelf definieert als ‘Nederlander’. Wat dat precies inhoudt, is niet duidelijk, maar grofweg zou men kunnen stellen dat het gaat om een identiteit gebaseerd op ‘westerse waarden’ zoals vrijheid, gelijkheid en individualiteit. Tijdens de presentatie van haar beweging noemde Verdonk „vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en de vrijheid van buitenlandse overheersing” als de drie fundamenten van de Nederlandse cultuur. En in haar concrete voorstellen richt Verdonk zich – naast het terugdringen van de bureaucratie – voornamelijk op de aanpassing van nieuwkomers aan deze kernwaarden, wiens „rechten en plichten worden vastgelegd in een overeenkomst”.

Hoewel Verdonks politieke visie dus sterk drijft op bepaalde normen en waarden, ontbreekt daarin de samenhang van een ideologie. Dat verklaart waarom zij voor concrete standpunten te rade kan gaan bij burgers, zonder het gevaar te lopen zichzelf tegen te spreken: haar standpunten vloeien niet automatisch voort uit een samenhangend wereldbeeld. Ook hoeft Verdonk zich niet aan een bepaalde klasse te verbinden: haar beweging richt zich op „alle Nederlanders – Friezen, Limburgers en ook de nieuwe Nederlanders”, die zich verbonden weten door hun identiteit ‘als Nederlander’, niet door de politieke belangen die ze gemeen hebben.

De grote ironie is dat deze identiteitspolitiek historisch gezien rechtstreeks voortkomt uit het cultuurrelativisme waar Rita Verdonk zich juist zo hevig tegen verzet. Van oudsher wordt politiek gebaseerd op een gedeelde identiteit namelijk bedreven door etnische, religieuze of andere gemarginaliseerde minderheden, die hun afwijkende groepsidentiteit – in opvattingen, tradities of praktijken – willen beschermen tegen de dominante cultuur van de meerderheid. Zo wordt identiteitspolitiek in de Verenigde Staten vooral bedreven door Afro-Amerikanen, Latino’s en de Amish. Zij eisen politieke en maatschappelijke erkenning van hun identiteit en baseren zich daarbij sterk op het cultureel relativistische uitgangspunt dat de ene cultuur niet ‘beter’ of ‘slechter’ is dan de andere en iedere cultuur dus evenveel recht van bestaan heeft.

De identiteitspolitiek van Verdonk (alsook die van Wilders) zou men in feite dus een ‘geestesproduct’ van het door hen zo gehekelde multiculturalisme kunnen noemen. Ze bedienen zich ook allebei van een beproefde strategie uit die stroming: een sterke afkeer van het politieke establishment. Dat establishment wordt namelijk door culturele minderheden altijd verantwoordelijk gehouden voor hun onderdrukking.

Toch verschilt Trots op Nederland in één cruciaal opzicht van deze traditionele vormen van identiteitspolitiek: Verdonk neemt het niet op voor de identiteit van een gemarginaliseerde minderheid, maar voor de identiteit van de dominante meerderheid, namelijk de westers georiënteerde Nederlander. Dat is een bijna paradoxale omkering van deze soort politiek. De dominante identiteit van een land is immers helemaal niet gemarginaliseerd en behoeft doorgaans dus ook geen bescherming van haar voortbestaan. De demografische samenstelling van Nederland bevestigt dat: ruim 88 procent van de bevolking is ‘autochtoon’ – rooms-katholiek, protestants of niet-gelovig. Niet-westerse allochtonen vormen een krappe 9 procent van de bevolking – en daarvan is slechts de helft moslim.

Om succesvol identiteitspolitiek te kunnen bedrijven, is er ToN (en de PVV) daarom veel aan gelegen om deze dominante ‘Nederlandse identiteit’ als bedreigd voor te spiegelen. Zonder zo’n ‘bedreiging’ heeft het immers weinig zin om je als collectieve identiteit te organiseren ten einde deze identiteit te beschermen. Wilders spreekt om die reden doorlopend over de ‘islamisering’ van Nederland en Verdonk hamert op het ‘vrij zijn van buitenlandse overheersing’. „Sommigen stellen zelfs het Sinterklaasfeest ter discussie”, stelt de politica, om daarmee de suggestie te wekken dat de Nederlandse cultuur in gevaar is. En hoewel de demografische verhoudingen dat tegenspreken, appelleert het toch sterk aan het gevoel dat veel burgers hebben – een gevoel dat vermoedelijk voortkomt uit de spectaculaire stijging van het aantal immigranten in Nederland tijdens de afgelopen veertig jaar en de steeds zichtbaardere manifestatie van de culturele verschillen die dat met zich mee heeft gebracht, zoals moskeeën en hoofddoekjes.

Maar volgens de Amerikaanse filosofe Wendy Brown ligt er nog een diepere oorzaak ten grondslag aan het succes van identiteitspolitiek. Volgens haar is het terugvallen op een gezamenlijke cultuur namelijk niet zozeer het gevolg van een ‘clash’ tussen verschillende culturen, als wel van een toegenomen sociale en economische ongelijkheid. Een groeiende groep mensen lijkt te beseffen dat „twee beloftes van de moderne samenleving – individuele vrijheid én sociale gelijkheid – onverenigbaar zijn gebleken”, aldus Brown. Voor deze ‘machteloze’ groepen in de samenleving, zegt zij, is individuele zelfontplooiing en kans op verbetering van de sociale positie onhaalbaar, hetgeen „frustratie, rancune en verbittering” veroorzaakt. En dat voedt, volgens Brown, „een rebellie (…) in de vorm van het politiek relevant maken van culturele verschillen”.

Zij doelt hiermee op wat de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) ooit de „wraak van de machtelozen” noemde. Het gevolg van de machteloosheid om je „eigen vrijheid te realiseren” was volgens Nietzsche namelijk „extreme uitingen van moralisme” om op die manier ook andermans vrijheid te beperken. Het opleggen van de ‘Nederlandse’ normen en waarden, zoals het verbieden van gezichtsbedekkende kleding of de verplichting om vrouwen een hand te geven, zou in de ogen van Brown dus als een vorm van ‘wraak’ kunnen worden gezien. Het is een uitlaatklep van de sociaal achtergestelden voor „het lijden dat het kapitalisme heeft veroorzaakt”, aldus Brown – een vorm van ‘vergelding’ voor de groeiende sociale en economische ongelijkheid.

Het wekt dan ook geen verbazing dat Verdonk vooral populair is bij de mensen die zich zorgen maken over problemen waar men ‘machteloos’ in staat, zoals de bureaucratie, de files, het verval van normen en waarden, de massa-immigratie of de globalisering. Deze machteloosheid vertaalt zich in woede – en vervolgens in het herwinnen van de macht via de moraal. Het is zoals de socioloog Paul Scheffer constateerde: „Trots op Nederland betekent eigenlijk Boos op Nederland”. In die zin heeft Verdonk toch een achterban: de ‘verliezers’ van de globaliserende economie.

Dat zij in Verdonk een spreekbuis zien, is overigens alleen maar toe te juichen. Vooral omdat zij tegenwicht biedt aan Geert Wilders, die inspeelt op dezelfde woede voor politiek gewin. Maar anders dan Verdonk legt Wilders de schuld voor het verval van Nederland volledig bij de komst van de islam – en dat kan gevaarlijk zijn in een politiek die (deels) drijft op rancune. De verdienste van Verdonk is dat zij die onderliggende rancune vertaalt heeft in ‘trots’. Dat klinkt een stuk constructiever dat ‘stop de islamisering’. Het wachten is nu alleen nog wel op daadwerkelijk constructieve plannen.