De dessinontwerper

Charlotte de With (27)

Studie: Textiel & Mode, Koninklijke Academie Beeldende Kunsten Den Haag (2000-2004)Werk: Junior dessinontwerper bij Eijffinger, een ontwerp- en distributiebureau voor behang en gordijnenDraagt: Casual, bij afspraken netjes, maar niet zakelijkLaatste grote aanschaf: Een huisBrutomaandsalaris: 2.163 euro

Wat houdt uw werk in?

„We hebben bij het bedrijf twee collectierondes per jaar, dat betekent dat er twee keer een cyclus is van het ontwerpen van dessins, die laten uitvoeren, naar beurzen gaan voor in- en verkoop, fotografie voor boeken en folders. Ik ben betrokken bij al die onderdelen. Daarnaast ben ik vaak onderweg naar leveranciers en winkels. Onze ontwerpen liggen bij behangspeciaalzaken en woninginrichters en ik zie het vaak terug in woonprogramma’s op televisie en in soaps.”

Wilde u als modestudent niet stiekem kledingontwerper worden?

„Ik had aanvankelijk geen idee van wat ik wilde. Ik ben bij textiel terechtgekomen puur omdat ik het fijn materiaal vind. Inmiddels ben ik erachter dat ik vooral graag dessins ontwerp en teken. De naaimachine is nooit mijn favoriet geweest, eerder een frustratie. Het is wel heel prettig om direct resultaat te zien, maar dat zie ik in mijn huidige werk gelukkig ook. Elke ochtend kom ik binnen via het magazijn, daar staan dan al die rollen behang. Die hebben we toch maar mooi even gemaakt.”

Gebruikt u nog veel vaardigheden uit uw studie ?

„Het belangrijkste dat ik geleerd heb in mijn studie is het waarnemen van trends en die om te zetten in bruikbare ideeën. Maar ik denk daar nu ook commercieel over na. Dat kwam in mijn opleiding niet aan bod. Commercie was vloeken in de kerk.”

Wat is de laatste trend in behang?

„Allereerst dat behang op zich een trend is. Daarnaast is het nog niet zo lang in de mode dat er een dessin op zit. Ook komen er steeds meer grote patronen en vrolijke kleuren. Wat me erg verbaasde is dat er nu een trend lijkt te zijn van donker en zelfs zwart behang. Ik ben benieuwd hoe dat eruit ziet bij iemand thuis.”

Leendert van der Valk