Buiten proportie

Het optreden van het Openbaar Ministerie vorige week tegen een tekenaar die onder pseudoniem spotprenten maakt doet de haren te berge rijzen. Als verklaring voor de huiszoeking door tien man en de tijdelijke hechtenis van de cartoonist zegt het parket dat dit nodig was om zijn identiteit vast te stellen. Alsof die niet met minder spektakel achterhaald kon worden.

Alleen al het politie-optreden werkt stigmatiserend en intimideert mogelijke andere opiniemakers. Of was dat juist de bedoeling, gezien de internationale kritiek op Nederland na de film Fitna? De kwestie is bovendien moeilijk los te zien van de rechtszaak van premier Balkenende tegen weekblad Opinio wegens een – duidelijk herkenbare – parodie. Door een cartoonist via een arrestatie tot (inter)nationale figuur te bombarderen neemt het parket in ieder geval een bijzondere verantwoordelijkheid op zich, terwijl het ook voor (voorwaardelijk) seponeren of een waarschuwing had kunnen kiezen.

Is de werkelijke reden voor dit overheidsoptreden soms het indammen van radicale religiekritiek? Of was dit achteraf een misgreep in het ondoorzichtige milieu van de shockblogs en rechts-radicale scheldsites, waarin tekenaar ‘Gregorius Nekschot’ zijn partijtje meeblaast? Het blijft gissen, totdat het Openbaar Ministerie zijn dagvaarding presenteert.

De wetsartikelen over strafbare discriminatie en haat zaaien zijn hoe dan ook niet geschreven om er politieke tekenaars in het publieke domein mee te vervolgen. Hoe provocerend en grof deze ook zijn. Jurisprudentie van de Hoge Raad maakt aannemelijk dat beledigende of discriminerende uitingen, die in een publieke context worden gedaan, niet strafbaar zijn. Deze jurisprudentie stelt de vrije burger gerust en wordt Europees geschraagd.

Welk belang heeft deze mogelijke zaak dan? Weinigen kennen de precieze tekeningen waartegen Justitie bezwaren heeft. Het Meldpunt Discriminatie Internet aarzelde eerder zelf over de strafwaardigheid. Na zo’n tachtig meldingen deed het aangifte ‘voor de zekerheid’, alweer drie jaar geleden. De proportie lijkt dus zoek.

In een democratische rechtsstaat moet er een onderscheid worden gemaakt tussen onverbloemde racisten en diegenen die een bijdrage aan het publieke debat proberen te leveren. De overdrijving en dubbelzinnigheid ligt er in dit werk, voor zover bekend, duimendik op. Ook de context waarin hij publiceert is voor iedereen kenbaar: een radicale freelancetekenaar op missie met een eigen site. De vraag of iemand persoonlijk is beledigd of in zijn religieuze gevoelens is gekwetst, wijkt dan voor de vrijheid van meningsuiting.

Dat het Openbaar Ministerie de grenzen tracht af te bakenen is op zichzelf een algemeen belang. Een anonieme politiek tekenaar die grenzen opzoekt mag ook ter verantwoording worden geroepen. Dat hoort bij de rechtsstaat, waarin trouwens open vizier een belangrijke waarde is. Maar in beginsel is de pen vrij, ook die van de tekenaar met een alias die politiek commentaar in het openbaar levert.