Veroordeling Nekschot niet waarschijnlijk

Bij veroordelingen wegens discriminatie gaat het vaak om impulsieve daden.

Het is dus onwaarschijnlijk dat cartoonist Nekschot ooit voor de rechter komt.

Het Openbaar Ministerie (OM) verdenkt de Amsterdamse cartoonist Gregorius Nekschot van overtreding van artikel 137 c (discriminatie) en „mogelijk” 137 d (aanzetten tot haat of geweld) van het wetboek van strafrecht. Het gaat om acht of negen tekeningen, die inmiddels van internet zijn verwijderd. Het OM heeft nog geen zaak aanhangig gemaakt. Daardoor is onbekend om welke tekeningen het precies gaat. Het Meldpunt Discriminatie Internet deed behalve van de spotprenten ook aangifte van uitlatingen van Nekschot op zijn website. Het is onbekend of deze uitlatingen door het OM bij de zaak worden betrokken.

Mogelijk komt het niet eens tot een zaak. Discriminatie en ‘haat zaaien’ worden door de rechter maar zelden aangenomen als het om tekst of beeld gaat. Tussen 2000 en 2005 sprak de rechter jaarlijks tussen de 93 en 118 veroordelingen uit in discriminatiezaken. Meestal werden die afgedaan met een taakstraf of geldboete. Doorgaans ging het om mondelinge uitingen: schelden, spreekkoren, burenconflicten. Typische impulsdaden, meestal gepleegd in groepsverband en doorgaans in dronkenschap. Discriminatie in beeld of tekst is nauwelijks vervolgd.

Artikel 137 c stelt strafbaar degene „die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap.”

Een veroordeling van Nekschot door een rechter is echter onwaarschijnlijk. Dat houdt verband met de contextuele toetsing die de Hoge Raad toepast bij de beoordeling van de beelden of geschriften die het OM vervolgt. Als die worden gepubliceerd in een samenhang die „bijdraagt aan het maatschappelijk debat of anderszins van een zekere functionaliteit getuigt”, dan vervalt de strafbaarheid al gauw. De vrijheid van meningsuiting wint het dan.

Van Nekschot is bekend dat hij in zijn tekeningen ras en godsdienst op een grove manier aan de kaak stelt. Aan het vereiste „beledigend uitlaten” voldoet zijn oeuvre vrij makkelijk. Daarbij moet het gaan om het „aantasten van de eigenwaarde of het in diskrediet brengen van een groep”, dan wel het maken van een „verwerpelijke, achterstellende uiting”. Over de herkenbaarheid van de groep die Nekschot aanpakt hoeft ook geen misverstand te bestaan: de profeet Mohammed is, als perverse man met tulband en djellaba, een running gag in zijn tekeningen.

Het haat zaaien uit artikel 137 d moet worden begrepen als het uiten van „diepe afkeer voor de godsdienst van een groep mensen, gepaard met het onverzoenlijke verlangen om die groep te verdelgen”. Het gaat niet om het leveren van kritiek, maar om het neerzetten van de ander als een onmens, het te schande maken van de ander. Haat zaaien en discriminatie staan te boek als misdrijven tegen de openbare orde. Politieke overtuigingen worden niet beschermd door deze artikelen.

De kern van de zaak Nekschot is de vraag of zijn tekeningen en uitlatingen een functie hebben in het maatschappelijk debat. Dat ligt nogal voor de hand. Juist doordat hij een beroep of een gewoonte maakt van zijn uitingen: hij publiceert op internet, in het opinieblad HP/De Tijd en laat in de reguliere boekhandel bundels verschijnen. Hij heeft wel degelijk een plaats in het publieke debat, zij het geen heel belangrijke. De ophef die zijn arrestatie veroorzaakte, maakte dat ook meteen duidelijk.

Dat maakt zijn zaak straks makkelijk pleitbaar. De Hoge Raad oordeelde in 2003 dat homofobe uitlatingen van een dominee een maatschappelijke functie hadden vanwege het feit dat de man op basis van zijn geloof de mensheid wilde waarschuwen. Zijn uitlatingen waren dus niet beledigend of strafbaar. Zo waren er de afgelopen jaren meer vrijspraken.

Lees een profiel van Nekschot en een interview met hem op nrcnext.nl