Verbod op seks met dieren heeft weinig zin

Het voorstel tot een wettelijk verbod op seks met dieren lost niets op. De rechter wordt het alleen maar moeilijker gemaakt, betoogt

Eugénie de Bordes.

Tekening Wolfgang Ammer Ammer, Wolfgang

In 2004 ontstond er opschudding nadat een man, die was betrapt op het hebben van seks met een pony, werd vrijgelaten. Volgens de wet had hij niets misdaan.

Onlangs heeft Kamerlid Waalkens (PvdA) een initiatiefwetsvoorstel ingediend voor een verbod op seks met dieren. Waalkens stelt voor dat er in het Wetboek van Strafrecht (WvSr) twee artikelen opgenomen worden, op grond waarvan seks met dieren strafbaar wordt gesteld. Juridisch gezien is dit voorstel een stap terug in de tijd. Het zal de rechter bovendien nauwelijks een handvat bieden.

Een dier is volgens het Nederlandse recht een zaak. Het heeft geen rechten en is een rechtsobject. De wetgever mag, in de woorden van prof.mr Langemeijer, „geen invloed toekennen aan de overweging dat dieren lijden wanneer zij pijn, honger, dorst oververmoeidheid gevoelen, maar heeft zich enkel af te vragen of het gros van de binnen zijn rechtsorde levende mensen, of tenminste een representatieve groep onder hen, zich dat lijden aantrekt”.

De samenleving lijkt zich het lijden van dieren steeds meer aan te trekken. In 1886 werd bij het tot stand komen van het eerste Wetboek van Strafrecht (WvSr) een verbod op dierenmishandeling opgenomen. De bepaling werd gebaseerd op het zogeheten aanstootbeginsel: er kon pas sprake zijn van dierenmishandeling als de betreffende handeling met het dier mensen had gekwetst in hun zedelijke gevoelens. De handeling moest dan in het openbaar gepleegd zijn. Dierenmishandeling in het private domein kon zich straffeloos voltrekken.

Later, toen bleek dat de bepaling weinig effect had, werd het verbod gewijzigd. Vanaf 1920 werd dierenmishandeling strafbaar gesteld als de handeling opzettelijk en zonder redelijk doel verricht was. Uit de jurisprudentie blijkt dat deze bepaling evenmin dieren beschermde. Opzet was meestal moeilijk te bewijzen. En als een handeling jegens dieren een menselijk belang diende, werd deze handeling als een redelijk doel gezien. Zo konden honden- en paardenstaarten straffeloos gecoupeerd worden, pijnlijk of niet.

In 1981 vond een omslag plaats. De overheid publiceerde een nota waar de intrinsieke waarde van dieren als uitgangspunt van wetgeving werd geïntroduceerd. Vanaf dat jaar zouden dieren beschermd moeten worden omwille van zichzelf. Belangen van mensen zouden geen rol meer spelen. De regels voor de omgang met dieren kregen daarmee een geheel andere basis.

De nota riep de fundamentele vraag op óf mensen een dier mogen gebruiken voor hun eigen belangen. Maar het antwoord op deze vraag was de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd), die tot stand kwam na het verschijnen van de nota, niet te vinden. In de considerans van de Gwwd wordt wel gesteld dat ethische overwegingen ten aanzien van de omgang met dieren ten grondslag moeten liggen aan de manier waarop met dieren omgegaan wordt, maar de wet zelf bevat vooral regels voor het gebruik van dieren: vervoer van dieren, het fokken van dieren, het huisvesten van dieren etc. Ook in de recente Nota dierenwelzijn, Wet dieren, nationale Agenda Diergezondheid wordt voortdurend gesproken over de intrinsieke waarde van dieren, maar wat de consequenties daarvan zijn, blijft onbesproken.

De mens-dierrelatie houdt de gemoederen in toenemende mate bezig. Acties tegen pelsdierfokkerijen, bio-industrie en dierproeven halen regelmatig het nieuws. Sinds kort richt de aandacht zich op bestialiteiten met dieren. Er bestaan bezwaren tegen het vertonen van beelden van gemeenschap tussen mensen en dieren. De politie krijgt vaker aangiften tegen bestialiteiten.

Seksuele contacten tussen mens en dier zijn niet nieuw. Er zijn al grotschilderingen van seksuele contacten tussen mens en dier uit de Bronstijd gevonden. In de Griekse mythologie is het een bekend thema. Volgens de Grieken verscheen Zeus aan Leda als een zwaan. Uit de verbintenis werden Helena en Polydeuces geboren.

In de Bijbel wordt bestialiteit sterk veroordeeld:

Insgelijks zult gij bij geen beest liggen, om daarmede onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmede te doen te hebben; het is een gruwelijke vermenging (Leviticus 18:23); Daartoe als een man bij enig vee gelegen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult gijlieden het beest doden (Leviticus 20:15); Alzo wanneer een vrouw tot enig beest benaderd zal zijn, om daarmede te doen te hebben, zo zult gij die vrouw en dat beest doden; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen! (Leviticus 20:16).

In de Middeleeuwen stond op seks met dieren de doodstraf; niet alleen voor de mens, maar ook voor het dier.

Volgens het huidige Nederlandse recht is bestraffing van seks met dieren (bestialiteit) mogelijk op grond van het verbod op dierenmishandeling (artikel 36, Gezondheids- en welzijnswet voor dieren). Bij dit artikel gaat het om de bescherming van dieren. De officier van justitie moet aantonen dat het dier pijn of letsel is toegebracht en dat de gezondheid en/of het welzijn van het dier is benadeeld.

Dit is een lastige zaak: veelal zal een dier geen last hebben dat het seksueel gebruikt wordt. Als een dierenarts een koe al tot zijn elleboog kan onderzoeken zonder dat het dier daarvan last heeft, zal penetratie met een mannelijk geslachtsdeel door de koe nauwelijks opgemerkt worden. Betreft het penetratie van een kleiner huisdier, dan zal de handeling het dier waarschijnlijk schaden. Dan zou de handeling wel binnen het begrip mishandeling kunnen vallen.

Een andere wettelijke benadering richt zich op de schennis van de eerbaarheid (Hoofdstuk Misdrijven tegen de zeden, artikel 239 WvSr). Voor overtreding hiervan moet een handeling zijn verricht, die publieke verontwaardiging kan opwekken. Aanstoot nemen kan alleen als de handeling zich in het openbaar afspeelt.

Voorts kan justitie tot vervolging overgaan op grond van beschadiging of doding van een dier dat toebehoort aan een ander (artikel 350 WvSr). Het gaat hier om de bescherming van de eigendomsrechten mensen. Strafbaarheid op grond van WvSr 350 is alleen aan te tonen, als het dier beschadigd is. Het probleem bij seksuele handelingen met dieren is nu juist dat niet in alle gevallen beschadiging plaatsvindt.

In 2004 ontstond in de Tweede Kamer discussie naar aanleiding van de verkrachting van een pony in Utrecht. Een man werd in een schuur betrapt met zijn broek op zijn hielen staande achter de pony. Het dier stond net te ontbijten en liet zich, noch door de copulatie, noch door de entree van de opsporingambtenaren van zijn maaltijd afhouden. De man werd meegenomen naar het politiebureau voor verhoor en later, tot grote verontwaardiging van dierenliefhebbers, vrijgelaten. De dader was ingerekend wegens dierenmishandeling. De rechter achtte dierenmishandeling echter niet bewezen omdat het dier geen pijn of letsel was toegebracht. Ook waren er geen tekenen die wezen op benadeling van de gezondheid of het welzijn van het dier.

De officier van justitie had artikel 239 WvSr ten laste kunnen leggen. Op grond van dit artikel had de man drie maanden gevangenisstraf kunnen krijgen of een boete. De laakbare handeling had dan wel in het openbaar moeten plaats vinden. Het is de vraag of een schuur een openbare ruimte is.

Vanwege deze vrijspraak zijn in 2004 in de Tweede Kamer vragen gesteld. Kamerleden willen dat de minister een verbod op seks met dieren invoert. Kamerlid Van Velsen (SP) eist dat er juridische stappen ondernomen worden tegen aanbieders en producenten van websites, waarop seks met dieren getoond wordt. In antwoord hierop had de toenmalige minister (Veerman, CDA) aangeven zich te willen beraden. Er bestonden volgens de minister twee opties.

1. Bestialiteit is een vorm van dierenmishandeling. In dat geval staat de benadeling van de gezondheid en/of het welzijn van het dier centraal. Een verbod op seks met dieren vanuit dat gezichtspunt bezien kan opgenomen worden in de Gwwd.

2. Bestialiteit kan ook als zedendelict gezien worden. Niet de benadeling van het dier maar krenking van de gevoelens van mensen leidt dan tot de overtuiging dat bestialiteit moet worden verboden. Als bestialiteit als aanstootgevende daad ten aanzien van mensen wordt gezien ligt het opnemen van een verbod daarvan in het WvSr voor de hand.

De minister vroeg de Raad voor Dieraangelegenheden om hierover een advies uit te brengen. De Raad stelde daartoe een werkgroep samen. Deze werkgroep kwam tot de conclusie dat niet overtuigend bewezen kan worden dat het welzijn van dieren door bestialiteiten wordt geschaad. In dat geval is slechts sprake van aanstootgevend gedrag. De meest aangewezen plaats voor een verbod op bestialiteit is dan hoofdstuk XIV van het Wetboek van Strafrecht: Misdrijven tegen de zeden. Slechts indien er sprake is van aantoonbare benadeling van de gezondheid en/of het welzijn van het dier en dus van aantoonbare dierenmishandeling kan vervolging op grond van artikel 36, lid 1 van de Gwwd plaatsvinden.

De Raad acht het niet strikt noodzakelijk, maar wellicht wenselijk om daartoe als vijfde specifieke handeling aan artikel 36, lid 2, seks met dieren toe te voegen, waarbij de raad er nadrukkelijk op wijst dat dit bezien moet worden binnen de voorwaarden die het eerste lid van dit wetsartikel stelt (namelijk dat er sprake is van dierenmishandeling en er dus aantoonbaar sprake is van aantasting van de gezondheid en/of het welzijn van het dier).

De minister had kennisgenomen van het rapport maar ondernam verder geen stappen om het advies in wetgeving op te nemen.

In 2006 komt Van Velsen terug op de kwestie. Zij stelt dat zij tijdens de Kamerdebatten over seks met dieren in 2004 al gevraagd heeft om maatregelen tegen de weerzinwekkende vorm van seks met dieren en dierenmisbruik voor pornografie, maar dat er nog niets gedaan is aan een verbod en dat er bovendien nog steeds sites bestaan waarop pornofilms met seks te bekijken zijn. Van Velsen verwijt de regering gebrek aan daadkracht en laat weten: „Ik heb twee jaar geleden aan de ministers Donner (Justitie) en Veerman gevraagd maatregelen te treffen tegen bestialiteiten. Het antwoord was dat de huidige wetgeving voldoende mogelijkheden biedt om op te treden tegen plegers van bestialiteit. Klaarblijkelijk hebben ze geen gebruikgemaakt van de mogelijkheden die ze hebben. Hoog tijd dat Donner en Veerman de mogelijkheden nu eindelijk eens gaan gebruiken om een einde te maken aan deze misselijkmakende dierenmishandeling.”

Uiteindelijk doet Kamerlid Waalkens een voorstel van wet inhoudende strafbaarstelling van het plegen van seksuele handelingen met dieren en het tonen van pornografie met dieren. Hij stelt voor dat in het Wetboek van Strafrecht, onder het hoofdstuk Misdrijven tegen de zeden, twee artikelen opgenomen worden: artikel 254, dat strafbaarstelling betreft van degene die seksuele handelingen pleegt met een dier en degene die bij die seksuele handelingen opzettelijk de gezondheid of het welzijn van een dier benadeelt. Artikel 254 a betreft de strafbaarheid voor degenen die afbeeldingen van de seksuele gedraging met het dier openbaart.

De vraag is nu: wat hebben we aan deze artikelen? Het door Waalkens voorgestelde artikel 254 bepaalt in lid 1 dat seksuele handelingen met een dier gestraft worden met gevangenisstraf of een geldboete. Maar wat wordt bedoeld met seksuele handelingen? Waalkens geeft daarvan geen omschrijving.

In de loop der jaren is de relatie tussen mens en dier inniger geworden. In vele huishoudens zijn dieren bijna een lid van de familie geworden. Als een dierenliefhebber zijn of haar dier knuffelt, is dat dan normaal of is de dierenliefhebber dan strafbaar op grond van artikel 254 lid 1? Zonder een duidelijke omschrijving van het begrip seksuele handelingen wordt het de taak van de rechter om te bepalen wat de grens is tussen normale (neutrale) liefkozende handelingen en seksuele handelingen. Gezien het feit dat de rechter al de grootste moeite heeft met de definiëring van het begrip welzijn, is het de vraag wat er van hem verwacht kan worden als het gaat om de invulling van het begrip seksuele handeling.

Waalkens stelt als lid 2 van artikel 254 als strafbare handeling voor: „het opzettelijk toebrengen van pijn of letsel of opzettelijk de gezondheid of het welzijn van het dier benadelen”. De toevoeging ‘opzettelijk’ compliceert de bewijsbaarheid sterk. Een dierenverkrachter copuleert met dieren om zijn seksuele driften te bevredigen, niet om een dier opzettelijk te benadelen.

Met de toevoeging van ‘opzettelijk’ gaat de wetgever een eeuw terug in de tijd. In 1920 werd het element opzettelijk geïntroduceerd in het verbod op dierenmishandeling. In 1992 werd het element uit het wetsartikel geschrapt omdat het nodeloze en vaak onmogelijke bewijsvoeringen eiste en de mogelijkheden voor strafbaarheid aanzienlijk beperkte. De wetgever was van mening dat degene, die een dier pijn of letsel toebracht of zijn gezondheid of welzijn schaadde, altijd strafbaar was, opzet of niet. Door het schappen van het begrip opzettelijk zou dierenmishandeling effectiever aangepakt kunnen worden.

Het voorstel van Waalkens lijkt overbodig. Seks met dieren is al door de wetgever gedekt. Als met seks met dieren het dier pijn of letsel toegebracht wordt of de gezondheid of het welzijn benadeeld wordt, kan de dader vervolgd worden op grond van artikel 36 Gwwd. Als seksuele handelingen met dieren de publieke verontwaardiging opwekken, kan de dader vervolgd worden op grond van artikel 239 Wetboek van Strafrecht (schennis van de eerbaarheid).

De commotie rond seks met dieren is zonde van de tijd. Het zou beter zijn als opwinding ontstaat over het gebruik van de miljoenen dieren voor economische, wetenschappelijke en recreatieve doeleinden. En het wordt hoog tijd dat de wetgever de – door de overheid zélf in 1981 opgeworpen – vraag beantwoordt óf dieren gebruikt mogen worden voor menselijke belangen.

Mr E.C. de Bordes bekleedt de Leerstoel Dier en recht aan de faculteit Rechtsgeleerdheid en de faculteit Diergeneeskunde aan de Universiteit Utrecht.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Leerstoel

Bij het artikel Verbod op seks met dieren heeft weinig zin (20 mei, pagina 9) staat dat mr. E.C. de Bordes de leerstoel Dier en Recht aan de Universiteit Utrecht bekleedt. Zij is medewerkster van de leerstoel.