Tjeenk Willink: sterke markt vraagt dito staat

Een sterke markt vereist een sterke staat. Dat zei Herman Tjeenk Willink, vice-voorzitter van Raad van State, gisteren tijdens een hoorzitting in de Tweede Kamer over het rapport Onderzoek Marktwerkingsbeleid van het ministerie van Economische Zaken.

De positie van de Nederlandse staat was oorspronkelijk sterk door de hechte verankering in een maatschappelijke infrastructuur en in een sterk lokaal bestuur, zo betoogde Tjeenk Willink. Maar vanaf het midden van de jaren zestig veranderde de positie van de staat.

De invoering van marktwerking in de publieke sector sinds de jaren tachtig, vereist weer een sterke staatals bewaker van het algemene publieke belang. Als voorbeeld noemde Tjeenk Willink de overnamestrijd rond ABN Amro, waarbij de staat een rol had kunnen spelen voor het algemeen belang. Dat is meer dan optreden als aanbesteder of marktmeester op afzonderlijke markten, volgens Tjeenk Willink: „Zonder dat tegenwicht wordt de markt, bedoeld als middel van publieke dienstverlening, vanzelf een doel op zich.”

In het rapport van het ministerie van Economische Zaken zijn elf sectoren onderzocht van telecom, luchtvaart en post tot streekvervoer, ziekenhuizen en kinderopvang. Specialisten, economen, artsen, energieproducenten en toezichthouders deden in het parlement verslag van hun ervaringen met ‘de markt’.

Over het algemeen zijn de ervaringen gunstig, maar het verzamelen van betrouwbare gegevens bleek een groot probleem. „Daarom kunnen de effecten van het marktwerkingsbeleid ook zo moeilijk in kaart worden gebracht”, zei professor Eric van Damme van de Universiteit van Tilburg. FNV-voorzitter Agnes Jongerius pleitte voor een advies door de Sociaal Economische Raad.