Sichuan leert China het belang van openheid

De aardbeving in de provincie Sichuan heeft de Chinese leiders geleerd dat openheid loont. Toch is het onwaarschijnlijk dat die les ook voor Tibet geldt.

Het contrast tussen de twee gezichten van China kan, te midden van de ruïnes en de penetrante lijkenlucht na de aardbeving en de duizenden naschokken, nauwelijks scherper. Ongenaakbaar, repressief en geheimzinnig in Tibet; kwetsbaar, huilend en diep geraakt in Sichuan. De tiran van maart is in mei opeens het slachtoffer.

Het China dat zich afzijdig hield bij de humanitaire ramp in Darfur, de conflicten in het wingewest Soedan en afwachtend reageerde op de natuurramp in het naburige Birma, liet zich in Sichuan van een menselijke, compassievolle kant zien. En dat heeft, ook tot verbazing van sommige Chinese media die de internationale reacties en commentaren doorgeven, direct tot een positief resultaat geleid in de vorm van hulp en waardering uit de hele wereld. Zelfs het armlastige Noord-Korea kwam over de brug.

Feit is dat de centraal georganiseerde Chinese overheid onmiddellijk en zichtbaar efficiënt in actie is gekomen. De grootschalige hulpoperatie, die met 5,5 miljoen daklozen en duizenden vermisten nog lang niet is afgelopen, steunt vooral op het organisatorisch vermogen van het qua menskracht grootste leger ter wereld.

Door de ongebruikelijk openheid – in 1976, het sterfjaar van Mao Zedong, werd een zwaardere aardbeving met 255.000 doden nog verzwegen – is er een tweede, indrukwekkende hulpmacht op gang gekomen. De Chinese bevolking is massaal in beweging gekomen. Van alle kanten stromen eten, tenten, dekens en vrijwillige hulpverleners toe.

„5/12”, zoals de Chinese media naar het voorbeeld van het Amerikaanse „9/11” de ramp noemen, gaat gepaard met voor Chinese begrippen ongekende openheid. De openheid lijkt overigens gedeeltelijk te zijn afgedwongen door de Chinese media, die zo snel en massaal reageerden en soms als eersten ter plaatse waren, dat de censuur in de eerste week machteloos was.

Chinese kranten, internetsites en commerciële tv-stations lieten zien dat zij in staat zijn indringend en vrij te opereren. Ook uit welbegrepen eigenbelang, want – zo luidt de beproefde wet in medialand – ellende verkoopt, net als oorlog en seks. Maar in de tweede week heeft de berichtgeving aan scherpte ingeboet en wordt er weer aanzienlijk meer staatspropaganda bedreven.

In het hele mediaspektakel is president Hu Jintao de alom aanwezige, onverstoorbare vaderfiguur, die wezen en weduwen troost, gebogen over stafkaarten generaals duidelijke instructies geeft en manschappen in het veld met een megafoon bemoedigend toespreekt. Hij heeft van Amerikaanse presidenten afgekeken dat een modern staatshoofd zich ook moet laten filmen in vliegtuigen en helikopters met ongekamd haar en dasloos.

Het eerste zich op de borst kloppende programma waarin de hulpverlening in Sichuan wordt vergeleken met de chaos en het falen van de overheid in de VS na de orkaan Katrina, is gisteravond de ether ingegaan. De moraal van de uitzending: China kan niet zonder de Communistische Partij.

Indringende vragen over de kwaliteit van schoolgebouwen – die voor duizenden leerlingen een graf werden, het seismologisch waarschuwingssysteem dat gefaald zou hebben en de veiligheid van dammen en nucleaire installaties worden wel gesteld op internetsites en in weblogs, maar niet meer in de gedrukte en audiovisuele media. Dat er toch antwoord op die vragen moeten komen, lijkt ook in Peking te zijn doorgedrongen.

De geaccrediteerde buitenlandse media ondervinden intussen nauwelijks problemen, op het gebruikelijke ongemak in de vorm van geannuleerde vluchten, geblokkeerde toegangswegen of een individuele dienstklopper na. De buitenlandse journalist die in maart in Sichuan trachtte Tibet of de Tibetaanse gebieden in deze provincie te bereiken, liep vast bij militaire checkpoints en werd teruggestuurd. Nu wordt hij door een saluerende kolonel langs de controleposten geleid en kan hij thee krijgen bij de keukeneenheid van een paracommando-eenheid.

Niets wijst er echter op dat bij een volgende Tibetaanse crisis dezelfde openheid als nu in Sichuan betracht zal worden. Van de harde lijn in Tibet wijkt China niet af omdat het land vreest dat een toegeeflijke opstelling andere minderheden en gebieden in China wel eens op het idee zou kunnen brengen om Peking op vergelijkbare wijze tegemoet te treden. Natuurrampen zijn natuurlijk politieke en diplomatieke gebeurtenissen van de eerste orde, maar onvergelijkbaar met kwesties als Tibet, waarbij in het perspectief van de Chinese leiders de eenheid van China in het geding is.

„5/12” is in internationaal opzicht een onverwachte kans om het imago te verbeteren. De Chinese autoriteiten, de regeringen van buurlanden en met name de Europese Unie hebben begrepen dat de aardbeving een kans biedt om de relatie met China wat minder gespannen te maken. De internationale gemeenschap hoopt op haar beurt voorzichtig op de steun van China bij het overhalen van de Birmese junta om hulpverleners toe te laten tot het door een tyfoon getroffen land. Want China heeft nu geleerd dat openheid loont én mensenlevens redt.