Onbegrijpelijke presentatie

Voordrachten van wetenschappers zijn vaak onbegrijpelijk.

Fysicus Ad Lagendijk turfde uitglijders en schreef een Survival Guide die presentaties kan verbeteren.

Vijf jaar lang zat Ad Lagendijk met een opschrijfboekje bij wetenschappelijke voordrachten. Maar fysicus Lagendijk – universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, hoogleraar in Twente en leider van een onderzoeksgroep bij het AMOLF-instituut in Amsterdam – maakte daarin geen aantekeningen van wetenschappelijke aard. Hij noteerde de stopwoordjes van de spreker: zoals ‘actually’, ‘basically’ of ‘of course’. Hij tekende aan dat de dia’s (‘slides’) bij de verhalen vrijwel steevast volgestouwd waren met nodeloze universiteitslogo’s, een overdaad aan formules en/of (verkeerd gespelde) teksten. Hij legde het overdreven strooien met uitroeptekens vast, en de vaak erbarmelijk slechte uitspraak van het Engels.

Het resultaat van dat turven, registreren en analyseren rolde deze week van de drukpers: een Survival Guide for Scientists. Een boek vol tekstblokjes die puntsgewijs alles aanstippen wat de communicatie tussen wetenschappers ten goede kan komen.

‘Probeer uw zinnen kort te houden’, stelt blokje 4.B in het hoofdstuk over het schrijven van wetenschappelijke teksten.

‘Beklaag je nooit over een gebrek aan waardering voor je werk’, drukt Lagendijk de lezer op het hart in blokje 3.H.1.F, in het hoofdstuk over het gesproken woord. Wie dat doet is pas een ‘echte loser’.

En blokje 5.A.2.A over het gebruik van een laptop bij een presentatie, geeft aan dat Lagendijk ook de cruciale details van de communicatie niet over het hoofd ziet. ‘Laad de batterijen van uw laptop thuis op’.

Ogenschijnlijk simpele aanwijzingen, maar Lagendijk ziet het al te vaak mis gaan. „Ook bij senioronderzoekers”, licht hij toe. Alsof het communiceren van hun werk hen niet wezenlijk interesseert. „Dan vertel je vooraf drie keer dat ze drie kwartier spreektijd hebben en bereiden ze doodleuk een verhaal van een uur voor. Of je geeft aan dat er een vrij breed publiek van natuurkundigen én biologen in de zaal zit, en dan richtten ze zich toch alleen op die ene expert achter in de zaal.”

„Onbegrijpelijke verhalen” levert dat op, vaak „in mitrailleurtempo verteld”, die alleen de indruk achterlaten dat de spreker „waarschijnlijk erg slim is”. Lagendijk: „Maar daarvoor wil ik niet driekwartier in een zaaltje zitten.”

Is degene die de Survival Guide leest, daar voorgoed van genezen? Weet hij of zij voortaan precies hoe het hoort? De uitgesproken stijl van Lagendijk – ‘Doe dit. Doe dat’ – wekt die indruk. Vergeleken bij de opsomming van regels in dit boek verbleken „Mozes’ stenen tafelen tot een onderhandelingsproduct”, zo merkte Frits van Oostrom, voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, gekscherend op tijdens de officiële boekpresentatie. Het is het boek, vervolgde hij, van een fanaticus in zijn vakgebied, een idealist en een romanticus.

„Misschien ben ik wel een fanaticus”, geeft Lagendijk na afloop toe. Kijk, in het voorwoord van zijn boek richt hij zich vooral op jonge onderzoekers. Zij kunnen van de tips profiteren, schrijft hij, omdat beter geschreven teksten sneller en vaker gepubliceerd worden. En omdat goede sprekers vaker uitgenodigd worden op conferenties. Maar het gaat hem natuurlijk om alle onderzoekers, óók de senioren. „Alleen, als ik dat schrijf, lijk ik zo’n pedant mannetje dat precies weet hoe iedereen het zou moeten doen.”

Toch is dat de zaak die Lagendijk aan het hart ligt: dat alle (bèta)wetenschappers zoveel beter met elkaar zouden kunnen communiceren. „Er zijn zoveel ontzettend creatieve onderzoekers waar ik graag, via goede voordrachten, van zou willen leren.” Maar de voordrachten worden er niet beter van als niemand ooit kritiek geeft. „Gevestigde onderzoekers bewegen zich in kringen van wederzijdse bewondering. Die krijgen alleen van elkaar te horen: nice talk en well done.” En zo geven ze jonge onderzoekers het slechte voorbeeld.

Had Lagendijk zelf, als beginnend onderzoekers, iets aan zijn Survival Guide gehad? „Jazeker”, zegt hij en gaat in gedachten terug naar Antwerpen waar hij in de jaren zeventig werkte. „Toen deed ik een meting en zag in een radiogolfspectrum precies het piekje opduiken dat ik daar voorspeld had.”

Lagendijk schreef een artikel van tien pagina’s, bood dat aan het vakblad Physical Review Letters aan, en kreeg vervolgens van een referee (anonieme expert die het manuscript beoordeelt) een kritische beoordeling. „Ik was daarover zo kwaad dat ik, nog op een ouderwetse typemachine, een antwoord tikte dat langer was dan het refereerapport zelf. Meteen in de eerste zinnen schreef ik al dat de referee er niks van begrepen had.”

Niet handig in een (internationaal) wereldje, waarin je zo’n expert nog vaak tegenkomt en nodig zult hebben. „Tsja”, zegt Lagendijk nu. „Die dingen moet je gaandeweg leren. Zeker als Nederlander, want wij zijn zo direct.”

Punt 11.A uit de Survival Guide, uit het onderdeel over publiceren: ‘De referee heeft altijd gelijk’.

Survival Guide for Scientists - Writing - presentation - Email, Engelstalig, Amsterdam University Press, 19,90 euro.