Is beleggen in Afrika ideale ontwikkelingshulp?

Beleggen in Afrika is een hype bij Nederlandse banken en beleggingsfondsen.

Het mooie is: als het goed gaat met de belegger, gaat het ook goed met het continent.

Afrika-beleggingsfondsen zijn een hype. Het ene na het andere initiatief komt in Nederland van de grond: het Afrika Certificaat van ABN Amro, Emerging Africa van Intereffekt, HQ Africa van SNS Bank. Een opkomende markt met enorme mogelijkheden, zo luidt de reclameboodschap.

Die optimistische toon is een verademing te midden van de vele negatieve berichten over Afrika. Natuurlijk is er op het continent relatief veel ellende, maar door de eenzijdige aandacht voor al die rampen raakt het evenwicht zoek. De Afrikaanse werkelijkheid, zo weten de beleggingsfondsen, is minder erg dan veel Nederlanders denken.

Economisch gaat het in Afrika zonder twijfel de goede kant op. Sinds 2000 is het gemiddelde economische groeicijfer meer dan vier procent. Daarmee groeien Afrikaanse economieën harder dan de gemiddelde westerse economie. Mango Capital Fund, een van de eerste Nederlandse fondsen die ging beleggen in beursgenoteerde bedrijven in Afrika, haalde in 2007 een rendement van vijftig procent. De kritiek dat economieën in Afrika alleen groeien door de toegenomen export van olie en andere grondstoffen is onzin. Juist landen als Ethiopië en Burkina Faso, die nauwelijks grondstoffen hebben, boekten de afgelopen jaren meer dan het gemiddelde groeicijfer.

In Noord-Afrika is Algerije een booming economy. Overal in het land vinden investeringen plaats in infrastructuur, woningbouw, bedrijven en sociale voorzieningen. Bierbrouwer Heineken kocht begin dit jaar een brouwerij in het islamitische Algerije, mede omdat de biermarkt daar met tien procent per jaar groeit. In West-Afrika is economisch een leidende rol weggelegd voor Nigeria. Met name in het zuidoosten is sprake van een beginnende industriële revolutie. Tientallen bedrijven maken auto-onderdelen, schoenen en plastic, die massaal geëxporteerd worden naar de buurlanden.

Zelfs Kenia, waar etnisch geweld rond de jaarwisseling 1.500 doden en 500.000 vluchtelingen veroorzaakte, staat er economisch goed voor. De verhalen dat de Keniaanse economie in puin ligt door het recente geweld, zoals te lezen in sommige Nederlandse media, zijn zwaar overtrokken. De beurs van Nairobi is alweer op hetzelfde niveau als voor de onlusten. Nederlandse bloemen- en plantentelers, die de afgelopen jaren in het Oost-Afrikaanse land investeerden, hebben nauwelijks schade geleden.

Als de schijn niet bedriegt, gaan Afrikabeleggers de komende jaren veel geld verdienen. En het mooie is: als het goed gaat met hen, gaat het ook goed met Afrika. Want uiteindelijk is economische groei een veel beter middel om armoede te bestrijden dan de vele goedbedoelde projecten van hulporganisaties. Door te beleggen in Afrikaanse bedrijven krijgen ondernemers op het continent een positieve impuls, waardoor direct een oorzaak van armoede wordt aangepakt. Dat zet meer zoden aan de dijk dan de symptoombestrijding waar projecthulp van organisaties als Cordaid en Oxfam Novib meestal op neer komt.

Vergeleken met het financieren van gezondheidszorg of onderwijs is het nadeel van beleggen natuurlijk dat in eerste instantie vooral welgestelde Afrikanen worden bereikt. Eigenaars van beursgenoteerde ondernemingen in Afrika zijn immers relatief welvarend. Pas later sijpelt de welvaart door naar andere lagen van de bevolking. Maar van de andere kant: het is nogal naïef om te veronderstellen dat armoede van de ene op de andere dag zal verdwijnen. Ook door overal in Afrika klinieken te bouwen en voedsel uit te delen krijg je dat niet voor elkaar.

Bovendien beseffen juist beursgenoteerde bedrijven dat ze baat hebben bij investeringen in onderwijs en gezondheidszorg. Hoe gezonder hun personeel, des te minder last ze hebben van ziekteverzuim. Zorgverzekeraars beseffen dat er in Afrika een enorme markt braak ligt. Het Nederlandse Health Insurance Fund, dat onder meer gefinancierd wordt door enkele multinationals met belangen in Afrika, biedt sinds vorig jaar in Nigeria gesubsidieerde ziektekostenverzekeringen aan.

Beleggen in Afrika is sympathieker dan het stimuleren van microkrediet, een andere veel gebezigde vorm van hulp door ontwikkelingsorganisaties. Krediet moet namelijk worden terugbetaald, ook als de ontvanger ervan verlies lijdt in plaats van winst maakt. Bij beleggen wordt het risico gespreid. Als de Afrikaanse ondernemer faalt, is ook de belegger zijn geld kwijt. Daardoor is de samenwerking eerlijker en gelijkwaardiger.

Pessimisten benadrukken de enorme risico’s die kleven aan beleggen in Afrika. Bedrijven hebben meer dan elders last van oorlog, corruptie, verwoestijning, aids, laag opleidingsniveau en slechte infrastructuur. Daardoor is zaken doen in Afrika erg onvoorspelbaar. Dat de bedrijfsrisico’s relatief groot zijn, zal inderdaad niemand ontkennen, maar daar tegenover staan ook grotere winstmarges. Als het in Afrika goed gaat met een bedrijf, gaat het vaak ook héél erg goed.

Oorlog is voor bedrijven slechts een klein probleem. In Congo, Somalië en Soedan woeden gewelddadige conflicten, maar het is goed om te beseffen dat deze landen een minderheid vormen. Bijna overal in Afrika heerst rust en vrede. Bovendien, zelfs in landen waar wel oorlog woedt, hoeft dat niet per se een belemmering te zijn voor economische groei. Zo boekt Soedan, waar sinds 2003 gevochten wordt in de regio Darfur, al jarenlang een economische groei van meer dan vijf procent. Diverse Nederlandse bedrijven doen er succesvol zaken.

Kortom, beleggen in Afrika is de ideale vorm van ontwikkelingshulp – een win-winsituatie voor alle betrokken partijen.

Gerbert van der Aa is historicus en journalist, gespecialiseerd in Noord- en West-Afrika. Hij schreef onder andere het boek Dwars door Soedan (2007).

Bezoek ook de weblog van Gerbert van der Aa viavanderaa.wordpress.com