Is beleggen in Afrika ideale ontwikkelingshulp?

Beleggen is veel effectiever dan ontwikkelingshulp, stelt Gerbert van der Aa hiernaast.

Ja, vooral effectief voor sectoren als olie en goud. Maar wie betaalt de dokter?

Vijftien jaar geleden doken er in de internationale pers allerlei verhalen op, waarin werd beweerd dat het einde van de ontwikkelingshulp naderde. Volgend jaar vieren we niettemin het zestigjarig bestaan van de moderne ontwikkelingssamenwerking. En ik vrees dat het einde nog lang niet in zicht is.

De beweringen destijds zijn van geen enkele waarde gebleken: de stroom aan ontwikkelingshulp is groter dan ooit en groeit nog altijd. Dit ondanks het feit dat het de leiders van landen van de G8 maar niet lukt om hun iedere keer herhaalde beloftes na te komen.

De mensen die de begrafenis van de ontwikkelingshulp voorspelden, hadden – net als Gerbert van der Aa hiernaast – het idee dat de stroom aan particuliere middelen naar ontwikkelingslanden de publieke stroom geheel zou kunnen vervangen. Bankleningen, investeringen door grote bedrijven, beleggingen in beurzen en in staatsleningen, ze groeiden in de eerste helft van de jaren ’90 naar een omvang die vijf keer groter was dan de officiële ontwikkelingshulp. Waar de ontwikkelingshulp toen stagneerde en bleef hangen tussen de 55 en 60 miljard dollar per jaar, groeide de particuliere stroom van financiële middelen naar de ontwikkelingslanden naar bijna 250 miljard dollar.

Maar dat duurde niet lang. De voorspellers kregen ongelijk, omdat ze een paar problemen over het hoofd zagen. Ten eerste veroorzaakte de particuliere geldstroom een terugvloeiing van geld op gang: op leningen moet natuurlijk rente en aflossing worden betaald, op de investeringen dividend en royalties en op de beleggingen winst.

Bovendien gaan die bedragen omhoog, als beleggers achter de horizon gouden bergen zien, maar fors omlaag als die bergen plotseling dalen blijken. Halverwege de jaren ’90 kon dan ook worden vastgesteld dat de bankleningen (zoals al eerder in de jaren ’80) ïn hun tegendeel verkeerden: ontwikkelingslanden betaalden tientallen miljarden dollars meer terug aan rente en afbetalingen dan ze aan nieuwe leningen ontvingen. Amerikaanse economen becijferden dat er in ontwikkelingslanden voor iedere geïnvesteerde dollar al snel drie terugkwamen. En dat is dan ook het grote voordeel van ontwikkelingshulp: die bestaat voor het grootste deel uit giften en veroorzaakt dus geen geldstroom in de omgekeerde richting.

Ten tweede heeft de particuliere geldstroom een andere richting dan de ontwikkelingshulp. Zo’n tweevijfde van de particuliere investeringen in ontwikkelingslanden gaat naar China. Nog eens tweevijfde naar landen als Brazilië en India. En nog geen drie procent gaat naar Afrika.

Zelfs in de topjaren was het bedrag dat in de landen in Sub-Sahara Afrika werd geïnvesteerd nog niet één vijfde van de hulp. En ook in Afrika zelf gaan die investeringen vooral naar Nigeria en Zuid-Afrika, niet naar Mozambique, Niger of Burkina Faso. Ontwikkelingshulp, ook de Nederlandse, gaat voor tweederde naar landen met lage inkomens.

Ten derde heeft de particuliere geldstroom ook economisch en sociaal andere effecten dan ontwikkelingshulp. De investeringen in Afrika gaan vooral naar de oliewinning en naar de mijnbouw (goud, maar tegenwoordig ook weer koper, ijzererts en kobalt). Een klein stroompje gaat nog naar het toerisme. Voor ontwikkelingshulp gaat dit niet op: een belangrijk deel ervan gaat naar essentiële zaken als onderwijs, gezondheidszorg en watervoorziening.

Kortom, we moeten zaken niet met elkaar verwarren. Als ik aandelen koop, dan doe ik dat om iets op mijn spaarcenten te verdienen. Als ik mensen wil helpen, kan ik dat op tal van manieren doen: ik kan mijn euro's het beste in een collectebus stoppen, of een lot uit een een loterij kopen.

Natuurlijk is er is niets op tegen om te beleggen in Afrika. Maar al die particuliere investeerders moeten wel beseffen dat hun investeringen alleen renderen als er tegelijkertijd investeringen worden gedaan in onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en in de opbouw van een betrouwbare overheid en regelgeving. En daar is en blijft ontwikkelingshulp bij nodig.

En wie sceptisch is over de effectiviteit van dat soort hulp, moet ook niet overdrijven. Berekend is dat alle hulp over de afgelopen 59 jaar niet meer bedroeg dan 15 dollar per inwoner van de ontvangende landen per jaar. Daar kun je dan ook geen wonderen van verwachten. Maar dat betekent niet dat particuliere beleggingen de ontwikkelingshulp zomaar zouden kunnen vervangen.

Paul Hoebink is bijzonder hoogleraar Ontwikkelingssamenwerking bij het Centrum voor Internationale Ontwikkelingsvraagstukken (CIDIN) van de Radboud Universiteit. Hij is ook worldconnector.

Wat is een worldconnector? Kijk op worldconnectors.nl