De kunst als basis

Volgens de Europese statistieken bloeit de Nederlandse culturele sector. Niet alleen ligt de participatie van de Nederlandse bevolking, een belangrijk criterium voor het beleid, boven het Europese gemiddelde. Ook het aandeel mensen dat werk vindt in de cultuur, namelijk 3,8 procent van de totale werkgelegenheid, is het hoogste in de Europese Unie. Dat uit zich in de omzetten van theaters, uitgevers, muziekzalen, in handel en toerisme.

Het is daarom verfrissend dat de Raad voor de Cultuur in zijn laatste advies over een derde deel van de totale cultuurbegroting voornamelijk kijkt naar wat de behandelende instellingen voor theater, dans, muziek en beeldende kunst hebben gepresteerd in plaats van een nieuw pakket ideologische eisen op te leggen. Terecht heeft de Raad eerder vastgesteld dat er met beleid geen cultuur wordt gemaakt.

Voor instellingen die zich in het verleden hebben bewezen, is de kans op succes bovendien groter. Die redenering ligt ook achter de nieuwe systematiek van de basisinfrastructuur, waarbij de belangrijke culturele instellingen niet elke vier jaar opnieuw de subsidiedraaimolen in hoeven maar direct vallen onder het Rijk. Instellingen worden beoordeeld naar de functie die ze vervullen: bijvoorbeeld, voor de ontwikkeling van talent of voor een specifieke regio.

Het is wel jammer dat het kabinet voor dit onderdeel van de begroting vasthoudt aan het jaarlijkse budget van 244 miljoen euro, dat afgelopen jaren de leidraad was. Dit is een flinke bezuiniging, temeer omdat voor kunst bij uitstek de ‘wet van Baumol’ geldt, die er op neerkomt dat er grenzen zijn aan productiviteitsgroei. De kosten van kunst stijgen conform deze wet altijd sterker dan het inflatiepercentage. Dat betekent echter niet dat de Raad voor Cultuur zomaar uit eigen beweging het budget kan verhogen tot 275 miljoen euro. Minister Plasterk (Cultuur, PvdA) verlangt terecht een advies dat zich aan het gestelde budget houdt. De stelling van de Raad dat een basisinfrastructuur alleen met hulp van een budgetverhoging van ruim 10 procent kan worden ingevoerd, is aanvechtbaar. In de basis zelf kan ook worden gesnoeid, al is dat pijnlijk.

Op de lange termijn loopt het aandeel van de overheid in de kunst namelijk terug. Ook de budgetten van de gemeenten Amsterdam en Rotterdam gaan omlaag. De gemeentelijke adviesraden houden daar ook al rekening mee.

Gelukkig is de samenleving rijk genoeg om deze gaten in de begroting op te vullen. Niet alleen kan de prijs van een kaartje soms omhoog. Er zijn ook andere bronnen. De bankgiroloterij geeft nu al jaarlijks 50 miljoen euro uit aan kunst. Bedrijven kunnen ook meer bijdragen. Culturele instellingen zijn een integraal onderdeel van het vestigingsklimaat waar niet op kan worden beknibbeld. Niet-commerciële instellingen horen onlosmakelijk bij florerende binnensteden, net als bewoners, bedrijven en middenstand.

Behalve de overheid hebben dus ook ondernemingen een concreet belang bij het financieren van kunst.