Voor Birma geen benefiet

Ik ken mensen die bij het woordje ‘globalisering’ zuchtend hun schouders ophalen: weer zo’n modewoord. En wat betekent het nou: wereldwijde goederenverkeer, personenverkeer, dataverkeer? Dat van de goederen bevalt ons wel, het hele jaar door zongerijpte tomaten en bananen, al is dat niet geweldig voor het milieu. Dat personenverkeer, tja, dat is leuk als het eenrichtingsverkeer betreft: wij wel op vakantie naar daar, maar niet te veel andersom alsjeblieft. En het dataverkeer, je kunt met vrienden in Siberië communiceren, maar wie heeft er nou vrienden in Siberië.

En toch kon je dit weekeinde het gevolg van de globalisering glashelder zien. Twee snel opeenvolgende rampen, de cycloon in Birma en de aardbeving in China. Honderdduizend om vijftigduizend doden, ruw geschat. Maar zoveel meer beelden van China, zoveel meer berichten en ook zoveel meer hulp. Terwijl er over Birma alleen een beetje gesomberd wordt: de helft zoveel doden in vergelijking met de tsunami, en toch: geen benefietconcerten, geen avondvullende inzamelingsacties op televisie. Die ramp in Birma lijkt domweg niet fotogeniek genoeg.

We leven inderdaad in het tijdperk van het beeld. Zonder beeld, geen begrip, wat een beetje raar is. Alsof we zonder de plaatjes erbij de woorden aap-noot-mies nooit zouden hebben kunnen leren. Maar feit blijft dat de cycloon in Birma een abstractie is: getallen die dagelijks naar boven worden bijgesteld, van vijfduizend naar vijftigduizend naar honderdduizend en verder, en een paar vage tv-opnames van wrakhout en tandeloze mannen.

Met Birma is er meer aan de hand, natuurlijk. Geen vanzelfsprekend vakantieland, geen belangwekkende handelspartner, een gesloten gemeenschap met een obscuur regime dat zich domweg afkeert van de wereld. En de aangeboden hulp nog weigert ook.

Dit is niet de eerste keer dat landen na een ramp de hulp uit het Westen weigeren. Na de tsunami leed India een schade van anderhalf miljard dollar, maar het land weigerde alle steun. Omdat men het als aalmoes zag en dat vernederend vond. Misplaatste trots, zou je kunnen zeggen, maar ze hebben het op de een of andere manier toch gered.

Bij Birma is het niet alleen misplaatste trots, het is ronduit machtsbehoud en xenofobie. De Birmese junta haat het Westen, omdat het zo zeurt over democratie en mensenrechten.

Dictaturen reageren altijd met dezelfde pavlovreactie als andere mogendheden opmerkingen maken over de manier waarop ze met hun mensen omgaan: kijk eerst naar jezelf. Vooral de Verenigde Staten hebben na de cycloon meteen gewezen op de misstanden in Birma, waarop de junta iets over orkaan Katrina mompelde en hooghartig de deur dicht smeet.

Wat te doen? Een militaire interventie, werd direct bepleit, hardhandig optreden als in Kosovo en Irak. Dat is in het laatste geval niet helemaal gelukt, maar het blijft iets aanlokkelijks hebben om een dictatuur pardoes weg te schieten. Het lijkt op zero-tolerance, wie een overtreding begaat kan onmiddellijk rekenen op boete en straf. Ook al is nooit aangetoond dat juist boete en straf misdadigheden terugdringen, maar meestal juist andere maatregelen – hoe werd de misdaad in New York ook alweer verminderd: door beter sociaal beleid, schonere buurten, meer zorg.

Maar als de macho-optie van grof geweld niet automatisch werkt, omdat je juist de slachtoffers die je zou willen helpen nog meer schade zou kunnen berokkenen, wat dan wel? Op de BBC hoorde ik het de Britse premier Gordon Brown rustig uitleggen: als je eerder niet hebt gedreigd met militair geweld vanwege de schending van mensenrechten, moet je het zeker niet gaan doen na een natuurramp. Niet omdat het moreel onjuist is, maar omdat het onpraktisch is: je bereikt juist niet wat je wilt bereiken. Diplomatieke druk opvoeren, een beetje meer dwang en drang, meer kun je in die toestand niet doen, hoe inhumaan je het gedrag van de junta ook vindt.

Het klinkt slap en weinig heldhaftig, maar de tweede mogelijkheid die Gordon Brown aangaf leek aantrekkelijker: de dictatuur van Birma heeft het Westen de rug toegekeerd, uit eigen belang en xenofobie, maar het land onderhoudt intussen wel intensieve banden met landen in de omgeving die het Westen gunstiger gezind zijn, met name India en China. Nu China een eigen natuurramp te verwerken heeft, blijft India over.

De BBC-interviewer vroeg aan Brown hoe hij dacht over het voorstel om de hulppakketten zonder naam en adres van de afzender te schenken aan India voor doorvoer. Waarop Brown zei: dat is zeker een mogelijkheid. Ook niet zo’n hele spectaculaire mogelijkheid natuurlijk, want hulpgevers willen wel een minimale erkenning en dankbaarheid voor hun goede daad. Maar als het je echt te doen is om de slachtoffers in Birma, die nu creperen in een afgrijselijke lijkenlucht, zou je wel eens je eigen behoefte aan dankbaarheid en erkenning terzijde kunnen schuiven.

Nog verdergaand is het voorstel om helemaal geen hulppakketten zonder etiketten te sturen naar India, maar aan India de financiële middelen te geven om zelf pakketten samen te stellen. Niet alleen omdat de Birmesen de British sausages misschien niet zouden lusten, maar vooral om te voorkomen dat India weer het gevoel krijgt van een aalmoes, die ook nog moet worden weggegeven. Gewoon met India samenwerken en op grond van vriendschap en gelijkwaardigheid de mensen in Birma redden.

Ik weet: het klinkt niet heldhaftig en niet-spectaculair, het lijkt zelfs op een vorm van capitulatie, voor de xenofobie van de junta van Birma enerzijds en voor de misplaatste trots van India anderzijds. Maar bij humanitaire rampen moet je praktisch zijn. Daarna zien we wel verder.

Reageren? Schrijf de auteur: ramdas@nrc.nl of neem deel aan de online discussie op nrc.nl/ramdas