Investeerders stappen in infrastructuur

Is beleggen in infrastructuur de jongste manier om te profiteren van financiële problemen? Investeringsmaatschappij KKR probeert een infrastructuurfonds van 5 miljard dollar (3,2 miljard euro) op te tuigen, terwijl Morgan Stanley onlangs een fonds van 4 miljard dollar in het leven heeft geroepen.

Het lijkt een vreemde tijd om je geld in infrastructuur te steken, omdat dergelijke transacties zo afhankelijk zijn van kredieten en banken momenteel niet graag als geldschieter optreden.

Maar de crisis op de Amerikaanse huizenmarkt heeft de financiële positie van staten en gemeenten ondermijnd. Dat zou ze ertoe kunnen aanzetten infrastructuur te verkopen of te leasen, zeker nu de prijzen voor bouwmaterialen als cement aan het stijgen zijn. Fondsen als dat van KKR zouden daar hun voordeel mee kunnen doen.

Wat kunnen de overheden van staten en gemeenten immers doen? Ze staan van twee kanten onder druk. De belastinginkomsten uit de vastgoedsector nemen af doordat de huizenprijzen dalen, en de economische problemen kunnen ook de inkomstenbelastingopbrengst treffen.

En de markt voor auction rate securities (obligaties waarvan de rente regelmatig via openbare veilingen wordt herzien), ooit een belangrijke inkomstenbron voor overheidsprojecten, is helemaal opgedroogd. Intussen rijzen de grondstoffenprijzen de pan uit, waardoor de bouw- en reparatiekosten van infrastructuur snel omhooggaan.

Overheden zouden zich dus wel eens gedwongen kunnen zien politieke bezwaren te overwinnen tegen het verkopen of leasen van bestaande bezittingen of het uitbesteden van nieuwe projecten. In de Verenigde Staten gevestigde investeringsmaatschappijen zouden de perfecte kopers kunnen zijn. Zij bulken van het geld. En beleggers lijken te begrijpen dat de rendementen op infrastructuurfondsen doorgaans lager zijn dan die op traditionele private-equitytransacties.

Bovendien is het niet per se een slechte zaak dat banken aarzelen om te veel krediet te verstrekken. De schuldenpercentages op infrastructurele bezittingen schoten tijdens de krediethausse de hemel in. Door de hoge rente- en aflossingslasten werd de kasstroom wisselvalliger, waardoor een belangrijke component van de aantrekkingskracht van infrastructurele beleggingen werd ondermijnd.

Niettemin weten private beleggers precies wat ze te doen staat. Er zijn veel infrastructuurfondsen op zoek naar deals. De verkoop door de Amerikaanse staat Pennsylvania van zijn tolweg is een goed voorbeeld. Ook al heeft de Australische bank Macquarie, die veel in infrastructuur investeert, zich samen met haar Spaanse partner Cintra teruggetrokken, andere groepen zijn nog steeds in de race.

Amerikaanse staten en steden mogen dan geconfronteerd worden met financieringsdruk, dat betekent niet dat ze hun bezittingen goedkoop van de hand zullen doen.

Lauren Silva