Felle ruzies en dronken vrijpartijen

Jessica Dimmock (28) volgde onlangs een fotografiecursus.

Haar eerste serie, getiteld The Ninth Floor, is hard, huiveringwekkend en af en toe zelfs absurdistisch.

‘Vrouwvampier’ (2007) uit de fotoserie ‘The Ninth Floor’. Foto Foam Foam

Een junk. Je ziet hem op straat lopen en denkt: nu even niet. Geen tijd. Mijn zaak niet. Eigen schuld. De verslaafde is een verschoppeling. De meeste mensen hebben geen idee hoe met ze om te gaan. Contact maken heeft geen zin, ze willen toch maar één ding: scoren. En structureel hulp bieden? Laat maar, zo iemand zwicht toch telkens weer voor de aantrekkingskracht van die verlammende roes.

Gelukkig zijn er ook mensen die weigeren alle hoop bij voorbaat op te geven. Jessica Dimmock is zo iemand. De achtentwintigjarige lerares uit Brooklyn, die opgroeide in een arbeidersgezin, volgde recent een eenjarige fotografiecursus bij het International Center for Photography (ICP) in New York. Haar eerste serie, getiteld The Ninth Floor en nu te zien in het Fotografiemuseum Amsterdam (Foam), werd meteen een groot succes. Ze won een aantal prijzen, waaronder in 2006 de Inge Morathprijs van Magnum Photos, en uitgeverij Contrasto publiceerde het jaar daarop haar foto’s in een gelijknamig boek.

The Ninth Floor toont het leven van heroïneverslaafden in een flat in Manhattan. In dit appartement – op de negende verdieping, vandaar de titel – bracht Dimmock een aantal maanden door met twaalf verslaafden. De jonge bewoners betaalden, in de woorden van de fotografe, de eigenaar huur „in de vorm van bier, een theelepel methadon of soms alleen maar een paar sigaretten”.

De foto’s die Dimmock in die periode maakte zijn hard, huiveringwekkend en af en toe zelfs absurdistisch. Het is alsof je de hel binnenstapt, of, om het anders te formuleren, een grillig universum waar Hieronymus Bosch en David Lynch gezamenlijk de scepter zwaaien. Het is duidelijk dat elk besef van beschaving van deze mensen is afgegleden. Binnen de vier muren wordt toegegeven aan één ding: drugs. Het resultaat is een fotoserie van een groep slapende, vechtende, neukende wezens: de oermens in de stad.

Dimmocks werk heeft duidelijke affiniteit met dat van Nan Goldin, die in de zeventig en tachtig de excessen van de New Yorkse homoscene fotografeerde. Vooral de intieme snapshots van Rachel en Dionn, een verslaafd stel dat Dimmock ook bleef volgen nadat zij vanuit New York naar New Jersey verhuisden, doet denken aan de beelden die Goldin destijds maakte van een decadente groep losgeslagen drugs- en drankgebruikers. Rachel en Dionns explosieve samenzijn, waarin felle ruzies vaak overgaan in dronken vrijpartijen, is zo dicht op de huid gefotografeerd en vaak zo intiem dat je soms afvraagt of je dit wel mag zien.

Het is een kwestie die wel vaker aan de orde komt bij documentaire fotojournalistiek die zich richt op de marge van de Amerikaanse samenleving. Of het nu gaat om de rauwe New Yorkse misdaadfoto’s van Weegee, de straatfotografie van Garry Winogrand of de goddeloze tieners die Larry Clarck in beeld bracht. Ze fotograferen allemaal de sociaal zwakkeren of de raciaal achtergestelden. Maar waarom? Om hen voor gek te zetten? Of om de zwakkeren stem te geven?

Als het de fotograaf om het laatste gaat, valt het werk alleen maar te prijzen. Maar dan is het wel belangrijk dat die invalshoek ook uit het beeldmateriaal zelf spreekt.

Bij Dimmock is dit zeker het geval. Kijken naar haar foto’s doet pijn. Niet omdat het naar is afgetakelde mensen te observeren. Haar beelden zijn juist schrijnend omdat er nog zoveel hoop is. Omdat bij de dertigjarige Jesse, al tien jaar verslaafd, de jeugdige schoonheid nog door het verval heen schijnt. En omdat Rachel en Dionn erg hun best doen af te kicken, vooral als Rachel zwanger raakt.

Het commentaar van Dionn is hartverscheurend als hij bij een foto van zijn pasgeboren dochter, die meteen na de geboorte een opiumkuur moest ondergaan, opmerkt: „Je moet wel geloven dat de mens van oorsprong goed is.”

Fotografie: Jessica Dimmock, The Ninth Floor, t/m 1 juni in Foam Amsterdam