De Praagse Lente begon al jaren voor de lente van ’68

De Russische soldaten wisten in augustus 1968 in Tsjechoslowakije niet wat ze zagen. „De ‘gevaarlijke contrarevolutionairen’ waren jongelui op blote voeten, met bloemen.”

Ze was hard op weg om een beroemde actrice te worden, maar Sovjettanks maakten een eind aan de veelbelovende carrière van Tána Fischerova. „Daarna volgde een grote winterslaap”, zegt ze. Op 20 augustus 1968, toen het Warschaupact, met honderdduizenden militairen, de geest van de Praagse Lente weer in de fles stopte was Fischerova 22. „Op straat probeerden mensen in te praten op de Russische soldaten, die ook niet wisten wat ze zagen, want de ‘gevaarlijke contrarevolutionairen’ bleken jongelui met bloemen en blote voeten.”

Praten hielp niet meer. Het experiment van de Tsjechoslowaakse partijleider Alexander Dubcek met een verlichte vorm van socialisme, zonder censuur en staatsterreur, had communisten in omringende landen doodsbang gemaakt. „Zij vreesden – terecht – een domino-effect”, zegt politieke analist Bohumil Dolezal (68), destijds een lentekind. ,,Ik heb nooit geloofd dat Dubcek zou slagen.”

Op het eerste gezicht was Tsjechoslowakije geen voor de hand liggende locatie voor een rebellie. Het communisme was hier na de Tweede Wereldoorlog relatief goed ontvangen, mede door een al bestaande linkse traditie. Duitsland was de echte vijand, de Russen waren Slavische broeders en bevrijders van het fascisme.

Maar Tsjechoslowakije was voor de oorlog al vergaand geïndustrialiseerd, het was rijker dan Nederland en bezat een heuse middenklasse. De centralisatie van politiek en economie pakte daardoor rampzalig uit. „De Tsjechische gebieden hoorden historisch bij het Westen”, zegt Dolezal. „Dat maakte ons moeilijk beheersbaar.”

De Praagse Lente begon niet in 1968. Al aan het begin van de jaren zestig lieten de communisten de teugels vieren. Fischerova weet nog hoe ze al als puber in aanraking kwam met absurdistisch toneel en voorheen verboden boeken. Op tv waren opeens discussieprogramma’s, over politiek en geschiedenis. En er was film.

Fischerova, intussen lid van de vrijgevochten theatergroep Cinoherní Klub, maakte naam met rollen in Bloudení (Zwerven, 1965), een film over de intellectuele starheid van oude Stalinisten, en Hotel pro cizince (Hotel voor vreemdelingen, 1967), een surrealistisch liefdesdrama, met ook aandacht voor homoseksualiteit. Beide films werden later verboden en uiteindelijk vergeten.

In de herfst van 1967 wakkerden Tsjechoslowaakse schrijvers het vuur verder aan. De schrijversbond riep openlijk op tot afschaffing van de censuur en liberalisering van de perswet. Onder de sprekers bevond zich ook Milan Kundera, die de Praagse Lente later onsterfelijk zou maken in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan.

Het aantreden van Dubcek als partijleider in januari 1968 bracht het proces in een stroomversnelling. Hij schafte de censuur af en decentraliseerde delen van de economie. „Maar hij is de Praagse Lente niet begonnen, zoals je vaak leest”, zegt Fischerova. „De maatschappij trok hem erin.”

Sovjetleider Leonid Breznjev had geen bezwaar tegen de benoeming van Dubcek – de Slowaak was in de jaren twintig en dertig in de Sovjet-Unie opgegroeid en gold als een pro-Russische apparatsjik. Maar zeven maanden later, vlak voor de invasie, zei Breznjev boos door de telefoon: „Je bedriegt ons!” Hij was het geschipper van Dubcek tussen haviken en hervormers in de partij spuugzat.

De Praagse Lente eindigde ook niet in 1968. Op de invasie, waarbij honderd doden vielen, volgden spontane demonstraties en in januari 1969 stak een student, Jan Palach, zichzelf in brand in het centrum van Praag. Dubcek, die voor de schone schijn niet meteen was ontslagen, werd in april dat jaar alsnog vervangen – hij kreeg een baan als boswachter.

Onder Gustáv Husák volgde een periode van ‘normalisering’. „1969 en 1970 waren nog prachtige jaren”, zegt Fischerova. „Pas aan het begin jaren van de jaren zeventig nam de druk toe.” Cinoherní Klub, haar toneelgezelschap, was in 1973 aan de beurt. Fischerova vloog er als eerste uit. Maar ze denkt niet met bitterheid terug aan die periode. „Ik ben geen leugenaar geworden. Van binnen was ik vrij en dat was genoeg.”

In 1977 verscheen nog het wel mensenrechtenpamflet Charta77, maar „de dissidenten voelden zich verraden door de desinteresse van de bevolking”, zegt Dolezal. ,,Ik heb Charta ondertekend, maar wat er geëist werd, was een utopie. Ik begrijp best dat mensen hun nek daarvoor niet wilden uitsteken.”