‘Ze zijn zo mooi, zo vredelievend’

‘Het is begonnen met de ogen van Uce, de orang-oetan die ik als baby van een vuilnisbelt op Borneo heb gered. Omdat zij een toekomst moest hebben. Orang-oetans zijn zo bijzonder, zo vredelievend, zo mooi. Dan denk je: wat een bijzondere wezens, hoe kan het dat die uitgeroeid worden? Dat is toch genocide?

Als we onze naaste verwanten al zo onmenselijk behandelen dat ze seksslaven worden, dat ze gesmokkeld worden voor medisch onderzoek, in het circus moeten optreden voor stomme toeristen die naar Thailand gaan en daar in Pattaya in seksshows zitten, dan heeft toch niemand kans op een toekomst?

Voor die tijd was ik heel gelukkig als wetenschapper, met mijn microscoop bestudeerde ik schimmels. Maar Uce heeft mijn leven veranderd. Nu zit ik al 17 jaar op 4,5 uur slaap per nacht. Mijn vrouw zie ik drie tot vijf dagen per maand.

Wij hebben nu 1.000 orang-oetans in de opvang, in twee stations van de stichting Bos. Dat betekent dat we totaal falen. Die centra waren met één doel opgezet: zodat Indonesië de wet kon toepassen en gevangen orang-oetans in beslag kon nemen. Als dat zou gebeuren, zou de handel stoppen, dachten we. Mijn doel was die centra in acht jaar te kunnen sluiten. Maar toen de grote bosbranden in 1998 losbraken, zaten we opeens met honderden orang-oetanbaby’s.

Het zijn het leger, de politie, topambtenaren, rijke Chinese zakenmensen en artiesten, die problemen veroorzaken. Die mensen denken dat in Indonesië alles met geld te krijgen is, wat eigenlijk ook wel klopt. Ze hebben geld en schaffen de dieren aan als statussymbool. Dan komen ze op tv, met hun orang-oetan. In Jakarta kosten ze 800 tot 900 dollar.

Als je ziet hoeveel vijanden ik krijg, als ik in huizen van belangrijke mensen kom voor inbeslagnames. Het begon met dreigtelefoontjes, toen kwamen de stenen door de ruit. Ze hebben geprobeerd ons huis op Borneo in brand te steken, terwijl mijn kinderen thuis waren. Ze hebben onze zes honden een voor een vermoord: de kop ingeslagen en voor de deur gelegd. Ik kreeg vandaag nog een dreigtelefoontje op mijn Indonesische nummer: klootzak, je kop gaat eraf.

Nu zijn er nog ongeveer 15.000 orang-oetans op Borneo en Sumatra. Als de trend zich doorzet, is er over twee jaar geen kans meer dat de orang-oetan in zijn natuurlijk gebied, met een voldoende grote groep kan overleven.

Vandaar het fotoboek, waarvan de Nederlandse vertaling deze week is uitgekomen. Ik wil dat mensen boos worden. Het is zo opgebouwd dat mensen eerst lezen hoe bijzonder orang-oetans zijn. Dat ze op drie manieren vis kunnen vangen. Dat ze geleerd hebben te zwemmen, dat ze kunst maken. Dat ze zich opmaken met make-up, zichzelf bewonderen in het water. Lezers denken: wat is dat prachtig. En dan slaan ze de bladzijden om, en zien ze dit. Een foto van een orang-oetanhoofd op een schotel in een etalage, een berg schedels, die verkocht worden als souvenir.

Daarna lezen ze waarom dat gebeurt, en dat het een heleboel te maken heeft met ons consumptiepatroon in het Westen. Dat we energie uit palmolie krijgen van Essent. Dat tien procent van de producten in de supermarkt gemaakt is met palmolie. Maar het enige wat erop staat is: plantaardige olie. In principe is palmolie geen probleem. Maar men misbruikt het argument dat de wereld palmolie nodig heeft, om de nog overgebleven bossen waar orang-oetans kunnen leven, te kappen. Het zijn vaak ex-houtbedrijven die niks meer in hun concessies hebben zitten, die samen met buitenlandse bedrijven zogenaamd investeren in deze palmolie. Met als enige doel: doorgaan met houtkappen. Dat hout mogen ze ook nog legaal verkopen, omdat zogenaamd het land klaargemaakt moet worden voor de plantages.

Terwijl er in Indonesië 28 miljoen hectare grasland is, waarop je ook palmen kunt planten. Zoals in Samboja Lestari, het grasland dat wij tot een waar paradijs hebben gemaakt. Daar hebben we een gebied van 1.884 hectare gemaakt dat we hebben herbebost en waar we gevangen orang-oetans kunnen uitzetten.

Greenpeace heeft net geprotesteerd tegen Unilever, vanwege de palmolie. Dan roept zo’n bedrijf meteen dat ze het duurzaam gaan doen. Maar dat doen ze eventjes. Want het betekent dat palmolie duurder wordt. Duurzame palmolie vergt meer investeringen dan die waarvoor je moet ontbossen en waarbij de mineralen uit de bosresten gratis mest zijn en je het hout kunt verkopen.

Ik wil dat Nederland boos wordt en tegen de regering zegt: zorg er goddomme voor dat er nú een certificering voor palmolie komt. Dat wij vanaf nu zeker weten dat we niet medeschuldig zijn aan de vernietiging van de laatste regenwouden.

Men zegt wel: je kunt toch beter mensen helpen dan orang-oetans? Maar voor elke orang-oetan die je redt, worden er tien mensen geholpen. Bijvoorbeeld in het gebied van Mawas, waar nog grote hoeveelheden veenbos zijn. Langs de randen hebben wij projecten met de lokale bevolking, zoals visvijvers, medicinale planten, rotan. Rotan groeit als een klimmende liaan in bomen. Wij maken nu fabriekjes bij die bossen, zodat de mensen ook de toegevoegde waarde van de rotan krijgen. Dus wat gaan die mensen zeggen? Jij mag mijn bomen niet omzagen, want daar groeit mijn rotan in. Ze worden een buffer voor het oerbos dat erachter ligt.

Als je de orang-oetan verliest, verlies je ook honderden boomsoorten die niet kunnen kiemen zonder dat hun zaden eerst de darmen van de orang-oetan hebben gepasseerd. Er is een boom, de Calophyllum. Een student van Yale had ooit wat bladeren en wortels van die boom naar een farmaceutisch bedrijf gestuurd. Een paar jaar later bleek dat er iets in zat wat het immuunsysteem beschermt, ze dachten dat ze het medicijn tegen aids hadden ontdekt. Maar toen die student terugging, bleken de laatste boompjes verdwenen. Ze werden verspreid door de orang-oetan. Maar omdat die dieren daar werden opgegeten, waren de bomen uitgestorven.

De allerlaatste orang-oetanbossen zijn veenbossen. Dat zijn de enige bossen ter wereld die echt zuurstof produceren en koolstof uit de lucht halen. Als we die zouden exploiteren, krijgen we een verdubbeling van de CO2-emissie voor 30 jaar. Indonesië is nu na China en de VS de grootste vervuiler ter wereld. Zonder industrie! Dat komt alleen maar door de vernietiging van veenbossen. Als je de orang-oetans kunt beschermen, bescherm je ook de bossen en het klimaat en daarmee de toekomst van mensen. Zelfs als je het zou uitdrukken in economische waarde, is er alle reden om de orang-oetan te beschermen. Dus het is onzin als men zegt: mensen zijn belangrijker.

Ik ben wat optimistischer dan een paar jaar geleden. Ik heb een oplossing gevonden: suikerpalmen. Mijn bruidschat bestond ooit uit zes suikerpalmen en ik weet nog dat ik me afvroeg hoe ik met zes palmen zo’n mooie vrouw kon trouwen. Toen heb ik er 25 jaar intensief op gestudeerd en kwam ik tot de conclusie dat zes palmen genoeg zijn om een familie te onderhouden. Je kunt er wel zestig producten van maken.

Suikerpalmen zijn een soort zonnecellen. Het suikerwater dat je tapt ontstaat uit CO2, regen en zonneschijn. Niets uit de bodem. Van dat suikerwater kun je ethanol maken, voor biobrandstof. We hebben nu een samenwerking met Nederland. In Oost-Kalimantan gaan we 680.000 hectare suikerpalmen aanplanten. Die gaan we gebruiken om Nederland van duurzame energie te voorzien.

Met suikerpalmen kunnen we vijftig keer zoveel banen creëren als met oliepalmen en ze produceren vier keer zoveel energie als oliepalmen of suikerriet. De lokale mensen krijgen door suikerpalmen een drie keer zo hoog inkomen als van oliepalmen. Dat betekent dat oliepalmplantages het straks kunnen vergeten dat ze hun slaven, hun koelies zo goedkoop kunnen krijgen. Ik ga ze, volgens de economische principes, beconcurreren waar het pijn doet.

Ik heb besloten het spel van de wereld mee te spelen. Het bedrijf waarmee ik de suikerpalmplantages ga opzetten, komt gewoon aan de Londense beurs. Zodat mensen met hun investering een duurzame oplossing kunnen creëren en een hoog rendement behalen. Want hoe ik ook politieman speel of wat ik ook als wetenschapper doe: het helpt geen flikker. Maar als je meer geld kunt verdienen met milieuvriendelijk zijn, dan wil men wel. Zo werkt de wereld, helaas.’

Elske Schouten