‘Wat doen we met de kranten?’

Onderzoeksjournalist Nick Davies schreef een boek over het falen van de jour-nalistiek in het tijdperk van de informatiechaos.

‘Als journalist schrijf je niet over misstanden binnen het vak. Dog doesn’t eat dog’, zegt onderzoeksjournalist Nick Davies over de ongeschreven wet van Fleet Street, het oude centrum van de Britse journalistiek. Davies, een ervaren en gerespecteerde journalist die de afgelopen dertig jaar onder meer voor The Observer en The Guardian werkte, heeft die regel op spectaculaire wijze geschonden. Eerder dit jaar publiceerde hij de resultaten van zijn onderzoeksproject in Flat Earth News: een ontluisterend boek over het falen van de hedendaagse journalistiek in Groot-Brittannië en elders. In de tuin bij zijn huis in het rustige heuvellandschap van Sussex vertelt Davies over zijn boek en de discussie die het in Groot-Brittannië losmaakte. Op een aantal vernietigende reacties na, hoofdzakelijk van mensen die zelf met name in het boek werden genoemd, is de respons opvallend positief. Zo schreef de rechtse Spectator: „Davies heeft het publiek een enorme dienst bewezen. Zijn boek zou gelezen moeten worden door zowel iedere verslaggever, redacteur en kranteneigenaar, als alle krantenlezers. Het werkelijke belang ervan overstijgt de journalistieke branche.”

Het begon, vertelt Davies, met zijn persoonlijke vragen en twijfels over de missers in de berichtgeving over de massavernietigingswapens in Irak, de aanleiding voor de invasie van Amerikaanse en Britse troepen in dat land, die niet werden gevonden. Davies: „Waarom, vroeg ik me af, sloegen we de plank bij zo’n belangrijk verhaal zó mis? Toen massavernietigingswapens niet bleken te bestaan, werd dat een verhaal apart in de media, waarbij de beschuldigende vingers wezen naar de regering en inlichtingendiensten. Maar, dacht ik, waren de media niet evengoed een partij in deze misleiding?” Davies zag het niet alleen gebeuren in deze kwestie, maar ook bij andere grote verhalen van de laatste jaren, zoals bijvoorbeeld de hype rond de ‘millennium bug’ die niet bleek te bestaan. Dat was een typisch voorbeeld van ‘Flat Earth News’, nieuws dat we voor waar houden totdat iemand de moeite neemt om het te checken.

„Hoe kon het gebeuren dat we het zo bij het verkeerde eind hadden?” was de vraag die aan zijn boek ten grondslag lag. Het antwoord op deze vraag is nu volgens Davies wezenlijk anders dan veertig jaar geleden. Waren het toen kranteneigenaren als de roemruchte Lord Beaverbrook, die journalisten gebruikten voor het uiten van hun persoonlijke politieke overtuigingen, sinds de kranten door grote concerns zijn overgenomen, schuilt het gevaar in de voortschrijdende commercialisering van de media. Davies toont met een overweldigend aantal sappige en schrikbarende voorbeelden aan wat de consequenties daarvan zijn, zowel op microniveau (de overvolle werkdag van de individuele journalist) als op macroniveau (de onbetrouwbaarheid van het nieuws, zelfs in de kwaliteitsmedia). Het resultaat noemt Davies churnalism naar het werkwoord to churn (letterlijk karnen), ‘grote hoeveelheden werk van slechte kwaliteit er gedachtenloos uitpersen’.

Ironisch genoeg zijn de ergste uitwassen van deze ontwikkeling hemzelf bespaard gebleven, dankzij de positie en de vrijheid die hij als veelvuldig bekroond onderzoeksjournalist genoot. „Maar ik geef ook ieder jaar een masterclass onderzoeksjournalistiek, en de verhalen die ik daar hoorde van jonge journalisten zetten me aan het denken”, zegt Davies. „Hoe kunnen ze hun werk goed doen, dacht ik verbaasd, als ze tien nieuwsberichten binnen één dienst moeten maken?”

Davies huurde een groep onderzoekers van de universiteit van Cardiff in voor statistisch onderzoek van de berichtgeving in vier grote Britse kranten (de Times, de Guardian, de Independent en de Daily Mail) en de aantallen journalisten in dienst van ‘Fleet Street’ in het algemeen. De onderzoekers ontdekten dat er op dit moment iets minder journalisten werkzaam zijn bij grote Britse kranten dan in 1985, maar dat deze journalisten wel drie keer zoveel kolommen moeten vullen als in 1985. „Hadden de grote kranten vroeger een correspondent in iedere provincie, bij de rechtbanken, in alle buitenlandse hoofdsteden, plus een netwerk van plaatselijke freelancers, nu is dat allemaal wegbezuinigd. In plaats daarvan is er dan één correspondent die heel Noordoost-Engeland doet, of bijvoorbeeld heel westelijk Afrika. Hoe weten de kranten en nieuwszenders dan wat er daar speelt?” vraagt Davies. „Antwoord: dat weten ze niet.” En hetzelfde geldt voor de persbureaus als The Press Association, of Reuters, een van de belangrijkste informatiebronnen van de media.

Wanneer we er, zoals Davies, vanuit gaan dat het eerste doel van de journalistiek is om de waarheid te vertellen, dan is het checken van informatie een essentiële stap in de nieuwsproductie. Voor dat checken nu is niet meer genoeg tijd, geld en mankracht beschikbaar. Dat maakt de pers buitengewoon kwetsbaar voor de machinaties van diverse pr-machines – woordvoerders van de overheid, bedrijven, ngo’s, enzovoort – die naast de persbureaus een tweede belangrijke bron van informatie voor de pers vormen. De onderzoekers van Cardiff concludeerden na hun turfwerkzaamheden, dat 60 procent van alle artikelen in de onderzochte kranten te herleiden is tot ofwel materiaal van persbureaus, ofwel pr-materiaal (41 procent bleek zelfs direct ontleend aan pr-materiaal). Nog eens 20 procent vertoonde sporen van persbureaus en pr. Van 8 procent konden de onderzoekers de herkomst niet thuisbrengen. Slechts 12 procent bleek aantoonbaar eigen onderzoek van de kranten. En slechts 12 procent van de verhalen bleek aantoonbaar gecheckt.

Al met al heeft de commercialisering van de journalistiek geleid tot een verarming van het nieuwsaanbod, tot steeds meer kranten die allemaal dezelfde goedkope, hapklare, ‘veilige’, politiek niet-controversiële informatie herkauwen, aldus Davies. Het meest verrast was Davies echter door wat hij ontdekte over de zogeheten dark arts – de illegale praktijken van Britse (kwaliteits)kranten om aan informatie te komen, variërend van vuilnisbakgraaien en computerinbraken tot steekpenningen aan de politie. Davies: „Ik had geen benul van de dark arts.”

Ondanks het feit dat de beroepsgroep er slecht vanaf komt, wilden veel journalisten dolgraag met Davies praten. „Het onderzoek voor dit boek bleek verrassend makkelijk. Ik kende al erg veel mensen, en iedereen was maar al te bereid mee te werken,” vertelt hij. „Journalisten zijn immers het slachtoffer van dit systeem.”

Davies noemt het hele boek door namen en rugnummers, en schuwt daarbij enkele van de machtigste figuren uit de Britse media niet, zoals Paul Dacre van de Daily Mail. Het mag daarom wel opmerkelijk worden genoemd dat in een land met strenge antismaadwetten nog niemand een rechtszaak tegen hem heeft aangespannen.

De positieve reacties en recensies overtroffen Davies’ verwachtingen. En nog altijd stromen op zijn website de (vaak anonieme) onthullingen en steunbetuigingen binnen. Dat is bemoedigend, maar Davies blijft vooralsnog pessimistisch gestemd over de toekomst van de journalistiek. „De grote vraag is: wat doen we met de kranten zodra er een eind komt aan de papieren versies? Internet bespaart op de druk- en distributiekosten. Maar er is geen geld te verdienen met onlinekranten; de advertentieruimte is beperkt. Totdat we met een nieuw financieringssysteem komen, is er geen antwoord. En als dat nieuwe systeem in handen is van dezelfde ondernemingen, zullen die er hetzelfde mee doen als wat ze met de papieren kranten gedaan hebben – de winsten zullen naar de aandeelhouders gaan, niet naar de redacties zelf.

„Er zijn natuurlijk goede, onafhankelijke bloggers,” vervolgt hij, „maar er is ook ontzettend veel bagger te vinden op het internet. Hoe zie je het verschil? We staan aan het begin van een tijdperk van informatiechaos: de hoeveelheid voor ons relevante informatie wordt steeds groter, maar ons vermogen om de betrouwbaarheid daarvan vast te stellen neemt af.”

Zijn mensen eigenlijk nog wel zo geïnteresseerd in ‘de waarheid’? Davies: „We hebben het einde gezien van de grote ideologieën, en daarom ook het einde van echt politiek debat. We leven nu in een pragmatische samenleving. Je zou kunnen stellen dat, als je de ideologie uit de politiek verwijdert, kiezers niet langer bepaalde feiten hoeven te weten die ze voorheen nodig hadden om geïnformeerde politieke keuzes te maken. Consumerism heeft de wereld overgenomen als nieuwe morele waarde, en dat vergt geen enkele achtergrondkennis van, of betrokkenheid bij, de wereld. De verzwakking van het vermogen van kranten om het publiek over bepaalde zaken gaat gepaard met een afname van de belangstelling van lezers. Misschien lopen de lezers ook weg omdat de kwaliteit van de kranten afneemt. ’’

Wie na lezing van Flat Earth News nog de journalistiek in wil, is óf gek óf ongeneeslijk romantisch. „Een van mijn weinige bronnen van hoop,” zegt hij, „is dat de journalistiek nog altijd idealistische jonge mensen aantrekt. Wel moeten ze onder ogen zien dat ze een tijd lang in het voorgeborchte van de hel zullen werken, en dan misschien, hopelijk, bij een grote organisatie uitkomen en misschien, hopelijk, iemand zullen vinden die ze beschermt, zodat ze hun werk naar behoren kunnen doen.”

Maar ook voor hoofdredacteuren die onder druk staan van hun geldschieters blijft er genoeg te doen: „De commerciële druk speelt op macroniveau. De individuele journalist en de individuele hoofdredacteur kunnen nog steeds, iedere dag, kleine gevechten winnen die de commercialisering een klein stukje buiten de deur houden. Iedere keer dat een journalist net iets meer tijd krijgt voor een onderzoek; iedere keer dat een redacteur besluit een verhaal te publiceren waardoor er geen krant méér zal worden verkocht, maar dat wel belangrijk is; iedere keer dat een hoofdredacteur tegen de financier zegt: je kúnt niet in m’n budget snijden, ik heb juist meer geld nodig. Elke klein gevecht dat we winnen, is de moeite waard. Want de strijd is nog niet verloren totdat ’ie gestreden is.”

Nick Davies: Flat Earth News. Chatto, 408 blz.www.flatearthnews.net/