Strijdende doden

Bij Ieper in Vlaanderen liggen honderdduizenden gesneuvelde soldaten in 178 militaire begraafplaatsen. Ze worden bedreigd door oprukkende bedrijfsterreinen en snelwegen.

In het economisch groeiende Vlaanderen ligt het Breugheliaanse boerenlandschap onder vuur, zoals in Nederland het Groene Hart. Snelwegen worden doorgetrokken, bedrijfshallen rukken op en ‘achtergebleven’ groene regio’s laten zich opstoten in de vaart der volkeren. Langs de E17 van Antwerpen tot Rijssel (Lille) domineren de reclameborden voor goedkope bedrijfsgrond. Pas bij afslag Ieper lijkt het groen de strijd even te winnen.

Rond de middeleeuwse marktstad Ieper liggen de slagvelden van het westelijk front uit de Eerste Wereldoorlog. Tussen 1914 en 1918 sneuvelden hier ruim 250.000 geallieerde soldaten en 300.000 Duitsers. In de natte zandige klei stierven soms tienduizenden soldaten per dag voor enkele meters terreinwinst. De gesneuvelde legers liggen nu verspreid over 178 militaire begraafplaatsen in licht glooiend klassiek boerenland. De grond voor de vele grafvelden en hun directe omgeving is „als eeuwigdurende rustplaats geschonken door de Belgische bevolking”, zo staat bij de graven vermeld.

Al 90 jaar lang ‘bewaken’ de dode soldatenlegers het open Vlaamse boerenlandschap tegen oprukkende beschaving. Ditmaal is niet de ‘superieure’ Duitse cultuur van ‘Der Kaiser’ de vijand, zoals in 1914. Die opmars strandde al in 1915 in de loopgraven rond Ieper. De bedreiging komt nu van de economische vooruitgang. De begraafplaatsen blokkeren al decennialang een omstreden snelwegplan: het doortrekken van de A19 door historisch slagveld. Deze snelweg uit Kortrijk, moet Ieper met Veurne in West Vlaanderen verbinden.

De Salient is de Engelse naam voor de Ieperboog; de uitstulping in het westelijk front rond de oostkant van Ieper waar de slagvelden liggen. De Leuvense antropoloog Johan Meire onderzocht in 1996 hier hoe de plaatselijke bevolking in tachtig jaar een Vlaams oorlogstrauma verwerkte. Het proefschrift van Meire werd in 2003 in boekvorm uitgegeven onder de naam De Stilte van de Salient. Tussen 1914 en 1918 verschoven de linies in deze Ieperboog over een afstand van slechts enkele kilometers. In 1918 resteerde een kapot geschoten moddervlakte, Ieper lag volledig in puin.

Het boerenland herrees samen met Ieper weer uit de as. Pieter Breughel kan nu tussen Wijtschate en Langemark aan de oostkant van Ieper weer ongestraft zijn schildersezel plaatsen. Al moet hij af en toe een oogje dichtknijpen voor bouwprojecten, die glipten door de mazen van de milieu-effectrapportage. Naast de doden van Dragoon Camp Cemetery, achter Boezinge richting Langemark zoeken watersnippen en patrijzen hun voedsel in de akkerranden. Klassieke boerennatuur die Nederland weer met subsidie probeert terug te krijgen. Op 22 april 1915 openden de Duitsers hier vlakbij een chloorgasaanval.

Aan de Wijtschaterstraat, met zicht op de Kemmelberg liggen dode Franse ‘chasseurs’ in een grafveld onder aanvoering van luitenant Lasnier naast een met bosschages overwoekerde stelling uit 1914. ‘Niet betreden’ staat hier op een bord langs de aarden wallen. Volgens het in 2005 verschenen Eerste Wereldoorlog-reisboek Velden van Weleer, van Chrisje en Kees Brants zouden in de frontlinie nog steeds onontplofte granaten kunnen liggen. In de wallen wemelt het nu van de konijnen. Honderd meter verder liggen de Duitse loopgraven in het Bayernwald op schootsafstand, nu overgroeid door berkenbos.

Het Ieper-IJzerkanaal bij Boezinge ligt net buiten de Salient. Soldatengraven grenzen hier abrupt aan het asfalt van de N369 richting Diksmuide, alsof zij tot de laatste man hebben standgehouden. Het kanaal vormt de frontlinie waar de Duitsers in april 1915 strandden op de zesde divisie van het Belgische leger en geallieerde soldaten. Heden en verleden liggen hier nu ingegraven als strijdende partijen tegenover elkaar. Hijskranen trekken bedrijfshallen uit de modder op de ene oever, terwijl een oud sluiswachtershuis de geschiedenis verdedigt op de andere oever. Een zingende zwartkop probeert boven het lawaai van auto’s uit te komen. In dit niemandsland is de strijd tussen natuur en bebouwing nog onbeslist.

Uit het onderzoek Oorlog en Vrede dat het West Vlaamse Toerismebureau in Brugge in 2007 publiceerde, blijkt dat in 2006 ruim 330.000 toeristen de slagvelden bezochten. Zij brachten 33 miljoen euro aan inkomsten naar de regio. Britse bezoekers nemen 38 procent van het totale toeristental voor rekening. „De groei is enorm”, verklaart Steve Douglas, bedrijfsleider van Salient Tours in Ieper, die toeristen langs de slagvelden leidt. „In 1995 waren wij de enige slagveldtouroperator, nu zijn in Ieper al drie bedrijven die tweemaal daags slagveldtours verkopen. En dan heb ik de tours uit Brugge nog niet meegerekend.”

Op de middelbare school in Groot-Brittannië is de aandacht voor ‘The Great War’ toegenomen. Dit verklaart waarom 30 procent van de dagbezoekers uit scholieren bestaat. „De andere groep bestaat uit wat ik noem ‘aging babyboomers”, zegt Douglas. „Je krijgt veel mensen met tijd over die de familiegeschiedenis natrekken. Zo komen ze bij de soldatengraven uit. De broer van mijn eigen grootvader is hier ook gesneuveld.”

De toeristen die het westelijk front herontdekken komen voor de historische sfeer. Met hun euro’s helpen zij de geallieerde doden bij hun bescherming van het landschap. Met succes. In 2005 wonnen ze hun tot nu toe grootste slag. De als vierbaans geplande A19 – door historisch slagveld Pilkim Ridge en soldatengraven – werd definitief geschrapt. Een bescheidener oplossing die de graven met rust laat – deels over bestaande tracés – ligt nu ter inzage op West Vlaamse gemeentehuizen.

„De druk op het landschap houdt aan”, zegt Peter Slosse, diensthoofd toerisme van de gemeente Ieper. „Maar dankzij het toerisme wordt het historische karakter rond de slagvelden meer gewaardeerd dan bijvoorbeeld in de jaren zeventig en tachtig. De nieuwe weg van Ieper naar Veurne wordt dankzij die herwaardering veel beter ingepast en buiten de slagvelden om gelegd.”

Maar zullen de graven de ‘vooruitgang’ kunnen blijven tegenhouden? De economie in het krappe Vlaanderen blijft hongerig naar land. „Het hele westelijke front, van de Vlaamse kust, via de Somme tot Zwitserland zou werelderfgoed moeten worden”, zegt Slosse. „Vanuit het ministerie van Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschap loopt nu een studie om te kijken of dat mogelijk is. Natuurlijk kun je daarmee niet het hele landschap bevriezen, maar Unesco-erkenning zou wel de historische waarde van dit gebied onderstrepen.”