Rijkdom

Als Nederland op de voorpagina van een buitenlandse krant verschijnt, moet je een beetje voorzichtig zijn. Vaak is het iets zonderlings dat ook bij ons als niet normaal wordt beschouwd maar daar wel als ‘typisch Nederlands’. Een van de laatste keren ging het over een mus die 40.000 dominostenen omver had gevlogen. Die waren rechtop gezet om het wereldkampioenschap stenen omgooien te verbeteren. Aan de mus werd de doodstraf voltrokken en dat kwam in de buitenlandse pers.

Nu is het iets heel anders. De International Herald Tribune van 14 mei meldt op de voorpagina dat het kabinet van plan is, ‘excessieve beloningen’ voor topmanagers te beperken. Het verhaal begint met de lotgevallen van Jan Bennink die zich op het gebied van babyvoeding zo verdienstelijk heeft gemaakt dat hij beloond werd met tachtig miljoen euro. Het was me ontgaan. Bennink kwam in de publiciteit, niet door zijn uitzonderlijke prestaties als manager, schijft de Tribune, maar door dit bedrag. Een compensatie die zoveel opschudding onder de egalitaire Hollanders veroorzaakte dat de regering nu maatregelen gaat nemen. ‘Ik geloof dat de samenhang van de maatschappij niet gediend is met een dergelijke ongelijkheid. Dit valt niet te verklaren’, zei minister Bos.

Je kunt dit artikel lezen als een beknopte studie in het Nederlandse volkskarakter. In andere landen valt het ook wel op als president-directeuren ontzettend veel geld verdienen. Ik kan me bijvoorbeeld een paar overzichten uit The New York Times herinneren, met lijstjes namen en daarachter beloningen van zeven of acht cijfers. Maar vooral bij ons wordt er schande van gesproken en heeft het taalkundige gevolgen: de graaicultuur van de zakkenvullers.

Ik kan het me wel voorstellen dat relatief karig betaalde bureauslaven de pest in krijgen als ze er getuige van zijn hoe een paar mislukte directeuren met een gouden handdruk vertrekken terwijl ze zelf de volgende ochtend om half negen weer op hun werk moeten zijn. Maar het probleem heeft nog een andere kant waarover je veel minder hoort. Wat doen die mensen met hun geld?

Op de televisie zag ik een tycoon die Bentleys verzamelt. Hij was meer dan opgetogen, hij had juist zo’n auto gekocht van het type dat in 1929 de 24 uur van Le Mans had gewonnen. Die vreugde kon ik me nog wel een beetje voorstellen. Als ik dertig was geweest had ik misschien ook wel zo’n prachtstuk willen hebben, maar deze verzamelaar was op z’n minst twee keer zo oud en hij had al vier van die auto’s. Verzamelen is op een specialistische manier je bezit uitbreiden, zonder dat je er iets anders mee kunt doen dan je er passief in te verlustigen. Of het nu Bentleys zijn of postzegels of lucifersmerken, het blijft een moedeloos gebruik van je leven, lijkt me. De Duitse fenomenoloog Philip Lersch heeft verzamelen beschreven als een uitdrukking van ‘der Antrieb des nicht genug kriegen könnens.’ Het klinkt goed Duits-wetenschappelijk, het is ook een mooie definitie: de drang tot steeds meer. Of dwang, nog beter. Die mensen kunnen niet anders.

Veel geld hebben betekent dat je groter gaat wonen; nog meer geld, nog groter. Je hebt een huis met zo veel kamers dat je je van sommige niet eens meer kunt herinneren wat je erin hebt laten zetten. Toch moet dat allemaal van tijd tot tijd worden afgestoft, schoongemaakt. Daarvoor heb je meer personeel nodig. Ik wens u veel personeel is een joodse nieuwjaarswens die je je vijand toebedeelt. Het wordt nog erger. Heel rijk zijn betekent onherroepelijk dat je bezoek krijgt van allerlei oplichters van wie er, volgens de kansberekening, altijd wel één zo slim is dat hij je een tonnetje lichter maakt. Gelukkig kun je je dat wel veroorloven. Als je tachtig miljoen hebt, is het een druppel op een gloeiende plaat. Maar je bent erin getrapt, en dat bederft je humeur.

Ik heb twee ontzettend rijke mensen gekend – allebei lang geleden gestorven – die aan hun fortuin een montere, achteloze manier van leven te danken hadden. Bij de eerste werd eens ingebroken, onvermijdelijk. De inbreker had de aandrang gevolgd die blijkbaar veel inbrekers eigen is. Hij had zijn behoefte in de wasbak gedaan. De benadeelde zei: ‘Wat zal die man koud gezeten hebben.’ De andere rijkaard had een huis met een groot terras aan de Moyenne Corniche in Villefranche. Een enkele keer ging ik bij hem logeren. De avond viel, we zaten op het terras, zagen hoe de schepen van de Amerikaanse Zevende Vloot in de getijdenstroom langzaam om hun ankers draaiden. ‘Het wordt tijd voor de zuipmachine’, zei mijn gastheer. Hij riep: ‘Jacques!’ Er naderde een zacht gerinkel, er kwam een karretje om de hoek, met glazen, flessen en ijsblokjes in een containertje, en daarachter de bediende.

Er werd ingeschonken. ‘Proost Montag’, zei hij. ‘Op je eeuwig welzijn.’ Op zulke ogenblikken is grote rijkdom volkomen verantwoord. Maar vaak moet ik ook aan de Afrikaanse keizer Bokassa denken. Iedere avond stapte hij in zijn gouden hemelbed en niemand weet of hij daar lekker heeft geslapen.