Poolse studenten mikpunt klassieke haatcampagne

Ook in Polen protesteerden in 1968 studenten. Maar herdacht worden vooral de ‘antizionistische’ acties die het communistische regime organiseerde als reactie op de studentenprotesten.

Stéphane Alonso

Op het militaire kerkhof in Warschau heeft Wladyslaw Gomulka de beste plek, aan het eind van de centrale laan. De vroegere communistische partijleider ligt daar onder een grote rots, met aan alle kanten een zee van ruimte, waar de andere doden jaloers op zijn.

Zijn plaats in de geschiedenisboeken is minder mooi. In 1956 was hij nog onthaald als de man die het brute stalinisme zou doen vergeten. Ruim tien jaar later wachtte Polen niet alleen nog steeds op een hervormer, maar bleek Gomulka ook zijn stalinistische veren niet helemaal te hebben afgeschud.

In maart 1968 gaf hij het sein voor een zorgvuldig georkestreerde antisemitische campagne tegen protesterende studenten – een actie die leidde tot de massale emigratie van joden, een zwarte bladzijde uit de Poolse geschiedenis. „Het was een klassieke haatcampagne”, zegt historicus Dariusz Stola. „Het jargon kwam woordelijk uit de jaren dertig en vijftig. Alleen de vijand was anders.”

De communisten keurden antisemitisme traditioneel af – het was in strijd met het egalitarisme. Maar om te voorkomen dat het studentenprotest zou overslaan op de arbeidersklasse – een schrikbeeld – werd maar al te gretig ingespeeld op de Poolse onderbuik. Sinds de Holocaust was antisemitisme een taboe, nu mocht het weer, nu móest het zelfs: in korte tijd werden tienduizenden ‘antizionistische’ bijeenkomsten georganiseerd. In de media werden de ‘agenten van Israël’ met naam en toenaam gebrandmerkt.

Het werkte: toen studenten in mei 1968 in Parijs de straat opgingen, zaten ze in Warschau alweer thuis. Of in de gevangenis. Geïsoleerd, zonder romantiek, zonder hoop, met gebroken idealen en gebroken ribben. Pas veel later, eind jaren zeventig, zou de coalitie tussen intellectuelen en arbeiders alsnog tot stand komen, in de vakbond Solidariteit.

Dit jaar was extra veel aandacht voor de gebeurtenissen in maart 1968, precies veertig jaar geleden. President Lech Kaczynski deelde tientallen onderscheidingen uit aan vroegere rebellen en overal werd herdacht. Maar dat gebeurde volgens Stola wel op een vreemde manier. „Er is geprobeerd om aan het protest alsnog een romantische draai te geven. Over het conformisme en het opportunisme van tienduizenden gewone Polen tijdens de haatcampagne wordt aanzienlijk minder gesproken.”

In het hedendaagse Polen strijden grofweg twee kampen om de herinnering. Het ene ziet het antisemitisme als het grootste probleem, het andere het communisme. In de afgelopen maanden vonden die twee stromingen elkaar opeens. De herdenking ging over antisemitisme, maar vooral ook over de rol van de communisten bij het opstoken daarvan. Iedereen was tevreden.

Volgens Stola was de campagne ook echt een communistische provocatie, maar wel eentje die er als zoete koek in ging. Zozeer zelfs dat Gomulka in april 1968 zelf weer op de rem ging staan. Niemand was veilig voor de antisemitische hysterie, ook het partijkader niet. Ook niet-joden.

Het Poolse protest was anders dan het Franse. In Parijs werd geageerd tegen burgerlijkheid en seksuele repressie, in Polen tegen censuur en totalitarisme. „Het ging om fundamentele zaken”, zegt politicoloog Aleksander Smolar, die destijds in Warschau de straat op ging. Maar er was ook een belangrijke overeenkomst: de leeftijd.

„Het waren babyboomers”, zegt Stola, die een boek schreef over maart ’68. „De Poolse studenten hadden de verschrikkingen van de oorlog en de stalinistische repressie niet meegemaakt. Hun ouders waren bang, zij niet. In de jaren zestig was het regime ook relatief milder. Dat bood een opening.”

De Praagse Lente, de dooi die begin 1968 bij de Tsjechoslowaakse communisten intrad, maakte de geestdrift alleen nog maar groter. Maar Gomulka wilde geen lente. Hoewel de partijleider niet te boek stond als hardliner, was hij geschokt door de hervormingsgolf bij de buren. „Dogmatisme”, zei hij, „is een griep, maar revisionisme is een tuberculose.”

Het studentenprotest was aanvankelijk niet anticommunistisch: de studenten maakten zich, net als in Praag, sterk voor ‘socialisme met een menselijk gezicht’. Maar in maart 1968 vervloog elk hoop hierop. „Het was de laatste flirt van de intelligentsia met de communistische ideologie”, aldus journalist Adam Michnik, destijds een belangrijke studentenleider. Stola: „Na maart wilden de intellectuelen het communisme niet veranderen, maar vernietigen.”

Dat Gomulka een pyrrusoverwinning had behaald bleek in 1970, toen arbeiders de straat op gingen om te protesteren tegen verhogingen van voedselprijzen. De rebellie werd bloedig onderdrukt, Gomulka trad terug, zijn opvolger Edward Gierek wist nog even een illusie van economische voorspoed te creëren, door massaal geld te lenen in het buitenland, maar de basis voor Solidariteit was gelegd. „Het communisme was toen al ideologisch dood”, zegt Stola.

Niet in het Westen. Smolar, die als ‘zionistische agitator’ nergens meer fatsoenlijk aan de bak kwam en in 1971 besloot te emigreren, heeft zich daar altijd over verbaasd. „Ik vertrok naar Italië en daar zag ik meer marxisten dan ik ooit in Polen had gezien. Bij ons was het communisme een publiek ritueel – niemand geloofde er in. Maar in Italië en in Frankrijk waren ze overtuigd. Ik was in hun ogen bijna een contrarevolutionair. Dat was best een schok.”