‘Nationalisme bedreigt de stabiliteit van China’

Bill Emmott stond jaren aan het hoofd van een van de meest gezaghebbende bladen. En hij schreef boeken. Zijn jongste gaat over de drie grootmachten in Azië, die zich voor het eerst tegelijk doen gelden. Een vraaggesprek.

Oud-hoofdredacteur van The Economist Bill Emmott op zijn werkkamer in Londen: „Er zijn parallellen tussen het huidige China en het Japan van de jaren dertig van de vorige eeuw”. Foto Alex MacNaughton Journalist, Bill Emmott MacNaughton, Alex

Schrijver’ staat op het naamkaartje van Bill Emmott. De Engelsman lacht verlegen. „Toen ik in 2006 bij de The Economist wegging als hoofdredacteur wist ik niet goed wat ik op mijn kaartje moest zetten. Toen heb ik er maar schrijver van gemaakt.”

Rivals, How the Power Struggle Between China, India and Japan will Shape Our Next Decade, is de titel van zijn jongste boek. Emmott – die in een Brusselse hotelkamer al snel praat of hij zijn boek uit het hoofd heeft geleerd – betoogt daarin dat de economische opkomst van China Azië in economische zin heeft verenigd sinds Deng Xiaoping eind jaren zeventig het land openstelde.

Toch is het niet de opkomst van China, maar die van India die de voorkomende Engelsman tot het schrijven van dit boek heeft aangespoord. Emmott: „In de afgelopen tien jaar heeft India zich naast China geplaatst, het China dat zich via zijn zeer open economie heeft verbonden met zijn twee grote Oost-Aziatische buren. Vandaag de dag zijn voor het eerst drie Aziatische grootmachten actief; Japan, China en India. Hun belangen, ambities en angsten overspannen heel Azië van Teheran tot Tokio.”

Van de drie hebben China en Japan wegens hun historie een ongemakkelijke verhouding.

„Het is goed dat vorige week na tien jaar een Chinese president Japan heeft bezocht. En het is goed dat de laatste twee Japanse premiers hebben geprobeerd om de relatie met China te verbeteren. Maar het verleden schept veel onderling wantrouwen waardoor een hechte vriendschap of relatie niet mogelijk is. Voor de politieke leiders is het daarom van belang om de scherpe kantjes van deze relatie af te halen. Dat Hu en Fukuda elkaar ontmoetten en een paar feel good-documenten ondertekenden heeft daarbij geholpen, maar het is moeilijk voor hen om echt dicht bij elkaar te komen.

„In mijn nieuwe boek staat een citaat van Taro Aso, een belangrijke kandidaat voor de opvolging van premier Fukuda als zijn partij na de volgende verkiezingen aan de macht blijft. Ik vroeg hem hoe de Chinees-Japanse relatie in elkaar zit. En Taro zei: ‘De landen hebben elkaar meer dan duizend jaar gehaat, dus waarom zou het vandaag anders zijn.’

„In het geval van China is de publieke opinie erg anti-Japans en nationalistisch. Het zal moeilijk worden voor de leiders van de Communistische Partij om de Chinezen ervan te overtuigen dat Japan hun nieuwe vriend is. Het zou voor de Chinese leiders ook een opmerkelijke positieverandering zijn. Zij hebben de afgelopen twintig jaar immers steeds ingezet op een sterke anti-Japanse propaganda die doorging tot in de geschiedenisboeken op school.”

Denkt u dat China zich vroeg of laat zal laten verleiden tot een onaangenaam nationalisme?

„Het is een samenleving die een lange periode van armoede en vernedering te boven is gekomen, maar waarin mensen weinig ruimte hebben om meningen te uiten die de Partij onwelgevallig zijn. Politieke onderdrukking kan dan op een nationalistische manier exploderen. Internet, waar nationalisme op discussiefora alle ruimte krijgt, maakt het nog gevaarlijker.

„Dit nationalisme wordt een levensgroot gevaar als het op een goed moment in China economisch gezien slechter zou gaan. Want een regering die zich onder druk voelt staan van een economische recessie, zal geneigd zijn om nationalisme te gebruiken om haar eigen legitimiteit te vergroten. Wat dat betreft zouden de komende vijf jaren wel eens een gevaarlijke tijd kunnen worden. Want China heeft nu een inflatie van meer dan 8 procent, China heeft grote milieuproblemen die publieke protesten veroorzaken en China moet voortdurend nieuwe banen creëren om de mensen die van het platteland naar de steden trekken aan het werk te helpen.”

Wat zou uw advies zijn om te voorkomen dat het explosieve mengsel van nationalisme en ontevredenheid tot ontploffing komt?

„Om de hoge inflatie onder controleren te krijgen, moet de economie minder hard groeien. Tegelijkertijd moet China investeren in onderwijs, gezondheidszorg, sociale zekerheid en andere publieke zaken zodat de economie ook weer niet te veel vertraagt. Door het leven van mensen daadwerkelijk te verbeteren, kunnen de machthebbers het ongenoegen en de verbittering afzwakken die worden veroorzaakt door de groeiende sociale ongelijkheid. Met name in de steden, waar zeer arm en zeer rijk vlak naast elkaar leven, brengt die ongelijkheid maatschappelijke spanningen teweeg.”

In uw boek vergelijkt u China met het Japan van de jaren dertig, toen dat land in industriële zin snel expandeerde. Hebben we dan nu zicht op Chinese agressie en zelfs de Derde Wereldoorlog?

„Ik denk van niet, al zijn er wel parallellen. China bevindt zich inderdaad in dezelfde situatie als destijds Japan, dat wanhopig op zoek was naar grondstoffen. Maar de politieke en economische context is nu anders. Er dreigt dus geen Derde Wereldoorlog, tenzij er plotseling iets verandert dat de globalisering uit balans brengt.”

Zoals een olieprijs die naar de 250 dollar per vat stijgt?

„Ja, maar China kan de olie dan nog steeds kopen. En die prijs betalen we op de wereldmarkt allemaal. De kans dat grondstoffen aanleiding worden voor conflicten, is dus niet zo groot.”

In Europa zijn landen ook lang elkaars vijand geweest. Alleen daar is na de Tweede Wereldoorlog gezegd: zo is het genoeg, nu gaan we samenwerken. Waarom kunnen de Chinezen en de Japanners dat niet?

„Het is onmogelijk voor ze om een relatie te ontwikkelen zoals Frankrijk en Duitsland dat gedaan hebben. De jaloezie en argwaan is gewoon te groot. Bovendien is China op dit moment een land in opkomst, dat de positie opeist waar het in zijn ogen recht op heeft. Een plek in de wereld die het land de afgelopen 200 jaar had verloren. Onder die omstandigheden is China niet geneigd om compromissen te sluiten of zich vast te leggen op bindende beloftes.

„Toch hoop ik dat de landen in Azië het komende decennium pan-Aziatische instituten zullen ontwikkelen. Maar in Azië zullen de banden nooit zo diep gaan als in Europa. Desondanks weet Japan, China of India dat geen van hen kan domineren en dat ruzies en spanningen zoveel mogelijk moeten worden verzacht. De eerste East Asian Summit in 2005, waaraan ook China, Japan en India deelnamen, is volgens mij het begin van de ontwikkeling van zo’n pan-Aziatisch instituut.”

Op de East Asian Summit wordt vooral over economische onderwerpen gesproken.

„De East Asian Summit is er vooral voor de groepsfoto. En dat ís politiek. De East Asian Summit gaat over economische zaken omdat je daar het makkelijkste over kunt praten, maar het doel ervan is politiek.”

In uw boek somt u een aantal potentiële conflicten op. Een van deze is Noord-Korea. Wat is er zo gevaarlijk aan dit arme en geïsoleerde land?

„Als het Noord-Koreaanse regime omvalt of Kim Yong-il opeens sterft, dan roept dat direct vragen op over de toekomst van het land. Op zo’n moment is er meestal onvoldoende tijd om te overleggen. Wat zullen de Chinese leiders en hun militairen dan doen? Streven ze de hereniging van de twee Korea’s na, grijpen ze in of annexeren ze het land? Kiest Peking voor het laatste, dan zou dat wel eens een misrekening kunnen zijn. Want ik denk niet dat de Verenigde Staten, Japan en Zuid-Korea dat zullen accepteren.

„Een vreedzame hereniging van het schiereiland zoals bij Oost- en West-Duitsland na de val van de muur in 1989, is natuurlijk altijd een optie. Maar volgens mij heeft dat scenario door de grote belangen en scherpe tegenstellingen die in het gebied spelen de minste kans. Chaos en conflict zijn de meest waarschijnlijke uitkomsten.”

Noord-Korea is eigenlijk een tijdbom?

„Ja, dat is het. Het is een nucleaire tijdbom.”

Sommigen twijfelen aan het bestaan van een levensvatbaar nucleair programma in Noord-Korea.

„We weten het niet. Maar als je de situatie analyseert, dan kun je de mogelijkheid van nucleaire wapens er maar beter bij betrekken. Want ze kunnen ook op een andere manier gevaarlijk zijn. Bijvoorbeeld als de Amerikaanse troepen besluiten om de grens over te steken om het Noord-Koreaanse nucleaire materiaal onschadelijk te maken. Als we zeker wisten dat James Bond dat voor ons zou doen, dan zouden we volstrekt veilig zijn.”

Tibet is een ander risicogebied waar u op wijst. U vreest daar voor de gevolgen op het moment dat de Dalai Lama sterft en u waarschuwt zelfs voor oorlog.

„Bij de onlusten half maart in Lhasa heeft de Indiase regering zich heel voorzichtig opgesteld. Om de Chinese regering niet te irriteren heeft het land steeds volgehouden dat de Dalai Lama niet meer is dan een religieuze vluchteling die in India woont.

„Sterft de Dalai Lama over bijvoorbeeld vijf of tien jaar, dan zou India wel eens meer zelfvertrouwen kunnen hebben. De dood van de Dalai Lama en het aanwijzen van zijn opvolger, waarmee Peking zich ongetwijfeld zal bemoeien, zouden de Tibetanen aan kunnen grijpen als een laatste kans om hun identiteit en de onafhankelijkheid van hun religie te beschermen. Hun protest zou de publieke opinie, die sterk pro-Tibet is, in India kunnen activeren. Of bij de grens zou een humanitair probleem kunnen ontstaan waardoor de regering zich genoodzaakt zal voelen om in te grijpen. En dat zou dan door de Chinezen kunnen worden opgevat als een ontoelaatbare schending van hun soevereiniteit.

„Staat de Chinese regering tegelijkertijd onder druk door bijvoorbeeld economische problemen of publieke protesten in eigen land, dan heb je algauw een situatie waarin een heel reële kans ontstaat op een oorlog.”

Maar China en India hebben toch geen enkel belang bij een oorlog?

„Een oorlog zal niet uitbreken omdat een van de landen een confrontatie heeft gepland op de manier zoals Hitler dat heeft gedaan. Maar laten we zeggen dat een gewapend conflict niet onmogelijk is. Beide legers meten zich sterk aan elkaar. Het leger van India keek vroeger altijd naar Pakistan. Nu is dat China. Op zijn beurt kijkt China eerst naar de Verenigde Staten en daarna naar India. Japanse legerleiders kijken naar China en Noord-Korea. Militaire planners in de regio bouwen hun legers op, omdat ze zich moeten voorbereiden op een mogelijk conflict. Het grote gevaar is dat, omdát de militairen zich voorbereiden, het conflict ook uitbreekt. Het wordt dan een self fulfilling prophecy.”