Naipaul en Van Doorn

Gisteren besprak ik de bijlage Boeken van deze krant de geautoriseerde biografie van V.S. Naipaul. Dat boek spookt in mijn hoofd. Eindelijk heeft de schrijver gekregen waar hij zijn hele leven uit alle macht naar gestreefd heeft, een oeuvre, de erkenning van een groot schrijverschap, de Nobelprijs, en nu laat hij een door hemzelf aangewezen biograaf een mes in zijn borst zetten – midden in het hart. Want zelfs de ergste vijanden van Naipaul hebben hem nooit zo zwart afgeschilderd als zijn biograaf dat doet. Altijd hunkerde de op Trinidad geboren schrijver naar liefde, maar hij bleek niet in staat die te geven. Nooit. Op beslissende momenten liet hij het afweten bij zijn familie, bij zijn hondstrouwe echtgenote, bij zijn minnares – niet bij zijn vrienden, want die had hij niet. Hij kende spijt, hij werd verscheurd door wroeging, maar altijd wanneer het te laat was.

Hadden Naipauls vijanden gelijk? De kritische Naipaul, die met een nietsontziend oog naar niet-westerse samenlevingen keek, die onaangedaan afrekende met de mythes van trots en uitzonderlijkheid waarmee mensen uit achtergebleven gebieden de werkelijkheid probeerden te ontkennen – hem is altijd een fataal gebrek aan empathie verweten. In zijn vroege reisboeken deed Naipaul iets ongehoords. Hij keerde terug naar het Caribisch gebied en beschreef een halfbakken samenleving van mensen die niet bij machte waren voorbij de grenzen van hun „slavenmentaliteit’’ te kijken. Hij reisde naar het land van zijn voorvaderen, India, en schetste een zwartgallig beeld van een land waarin iedereen wegkeek – weg van de armoede, weg van de viezigheid, weg van de werkelijkheid. Het was niet zozeer de onverwachte kritiek die zoveel lezers boos maakte, maar de ongenaakbaarheid ervan. Maar voor Naipaul was die nu juist een voorwaarde: om de waarheid onder ogen te kunnen zien, moest je je eerst een onafhankelijke blik eigen maken. Dat hield in dat je afstand moest nemen. Dat hij zijn blik op ontwikkelingslanden richtte, leverde hem de beschuldiging op van een aangeleerde westerse, koloniale mentaliteit. Hij zat er niet mee. Toen hij zijn boek over het Carribisch gebied had gepubliceerd schreef hij aan de Jamaicaanse schrijver C.L.R James: „Aanvallen kunnen me niet schelen; maar als het boek onder West-Indiërs geen enkele discussie losmaakt over hun situatie, dan moet ik het als een mislukking beschouwen.’’

Daar ging het om: pas wanneer je je een onafhankelijke blik hebt eigengemaakt, kun je echt zien. Mensen die klem zitten zijn geneigd te vluchten in mythes; je helpt hen niet door hen in hun eigenwaan te steunen en hun gevoel van slachtofferschap te bevestigen.

Maar wanneer wordt die onafhankelijke blik een ongevoelige blik? Dat is het probleem met de Naipauliaanse kritiek, die gemakkelijk de tot niets verplichtende kritiek van superieure buitenstaander kan worden. Zoals een Indiase vriend van mij eens zei, er is een subtiel verschil tussen Naipaul die in zijn eerste boek over India de pijnlijke confrontatie met zijn land van herkomst aangaat en de Amerikaanse rijkeluisstudent die tijdens een vakantie Indiërs begint te onderhouden over vrouwenrechten.

Je kunt zeggen dat de geest van Naipaul inmiddels vaardig is geworden over de westerse intelligentsia. Er is afscheid genomen van het wensdenken, de gemeenzame politieke correctheid, het cultuurrelativisme en het narcistische schuldgevoel over koloniale wandaden uit het verleden. Er mag geoordeeld worden. Sommige dingen zijn beter dan andere.

Maar vergeten wordt dat de Naipauliaanse kritiek altijd een betrokken kritiek is geweest; ze had als doel om mensen over de grenzen van hun eigen, kleine wereld te laten kijken en vervolgens naar zichzelf te laten kijken. Toen in Groot-Brittannië in de jaren zestig een strenge immigratiewet werd ingevoerd, liet Naipaul als een van de eersten een stem van protest horen. Bovendien onderwierp Naipaul zijn eigen visie ook steeds weer aan zijn kritische blik – zo gezien is die harde biografie over hem bij uitstek Naipauliaans. Tegenwoordig stuit je vooral op de gecorrumpeerde versie van zijn kritische houding, die ik maar even de versie van de rijkeluisstudent zal noemen: hard oordelen over anderen om jezelf in je superioriteit bevestigd te voelen.

Het probleem zit dus niet in de argumenten, maar in de motieven. De islamkritiek van Geert Wilders ademt ogenschijnlijk de geest van Naipaul; vandaar dat zoveel Nederlandse commentatoren, vooral de linkse spijtoptanten onder hen, hem willen beschermen tegen demonisering – met als gevolg dat wie de krant leest inmiddels de indruk heeft dat Harry de Winter een grotere bedreiging is voor onze samenleving dan Geert Wilders.

Toen Naipaul zijn meest kritische boeken schreef, was het intellectuele establishment links, politiek correct en in een staat van permanente zelfbeschuldiging. Inmiddels is het precies andersom; wie een kanttekening durft te maken bij de nieuwe Naipauliaanse orthodoxie, krijgt het even hard te verduren als Naipaul vroeger.

Een paar jaar geleden las ik een ingezonden brief in HP/De tijd, waarin de donderdag overleden socioloog en columnist J.A.A van Doorn honend verzocht werd terug te gaan naar de Linkse Kerk waaruit hij afkomstig was. De conservatief Van Doorn in de Linkse Kerk – beter kun je de huidige tijdgeest niet samenvatten. Want met dezelfde voorname onaangedaanheid waarmee Van Doorn de linkse drogredenen van voorheen onderuithaalde, zo ging hij de afgelopen jaren de nieuwe ‘Naupauliaanse’ tijdgeest te lijf, dat klimaat van gemakzuchtige zelfbevestiging over de rug van immigranten, van groeiende vreemdelingenhaat onder het mom van cultuurkritiek. Daarbij was hij doodgemoedereerd provocerend, in de geest van Naipaul zelf. Ik kende hem niet, maar het was een genoegen te zien hoe hij de usual suspects onder de Hollandse islamcritici met een paar afgemeten zinnen op de kast kreeg. Je kunt zeggen dat Van Doorn weinig oog had voor de verdwazing onder radicale moslims, maar er zijn nu wel genoeg stemmen die moslims tot kritische zelfreflectie aansporen. Wat hem stak, was de hoogmoed waarmee dat gebeurt, en de angstige haat die erachter schuilgaat. Hij durfde tegen de tijdgeest in te gaan. Daar was enige moed voor nodig.

Reageren kan op nrc.nl/heijne (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie).