Mozes’ verdriet

Mozes laat nooit wat merken. Bijna nooit.

Niemand hoefde Mozes’ tranen te zien. In stilte was hij aan de tafel buiten op het terras gaan zitten, zijn gezicht van de familie afgewend. Alsof hij de alledaagse drukte van deze vrijdagochtend niet wilde verstoren met zijn verdriet. Zijn schouders schokten. Hij verborg zijn gezicht nog wat dieper tussen zijn armen toen hij doorhad dat ik het zag.

Elke vrijdag doet Mozes hier de tuin. Hij kwam samen met het huis dat ik zes jaar geleden in Johannesburg kocht. Zoals dat in Zuid-Afrika gaat. Koop je een huis met een tuin, dan krijg je de tuinman er vanzelfsprekend bij. Mozes is de vader van deze tuin. Hij heeft elk plant en elke bloem in deze tuin met zijn eigen handen ingegraven. Hij kent hun goede en hun slechte dagen, hun nukken en hun makken. Dit is eigenlijk Mozes’ tuin. Als ik er iets aan wil veranderen, moet ik hem om toestemming vragen. Niet andersom.

Mozes huilt nooit. Hij komt uit Zimbabwe. Plumtree om precies te zijn, aan de grens met Botswana. Door de jaren heen heeft hij altijd kleine inkijkjes gegeven wat dat eigenlijk betekent om een Zimbabweaanse immigrant te zijn in Zuid-Afrika. Toen Mugabe in 2005 meer dan 700.000 landgenoten dakloos maakte in Operatie Murambatsvina („Duldt geen Vuiligheid”), ging ook Mozes’ huis in Plumtree tegen de vlakte. Mozes vertelde dat tussen de boterham met kaas en koffie door. Schouderophalend. Alsof dat soort tegenslagen nu eenmaal bij het leven horen. Hij was er niet speciaal voor naar huis gegaan toen zijn familie het nieuws per sms overbracht. „Dat zien we met de Kerst wel weer”, zei hij dan, maanden voor zijn jaarlijkse trip naar huis.

Mozes heeft hier ook wel eens met een blauw oog en gekneusde ribben op het terras gestaan. Bleek rond de neus vertelde hij dat hij de nacht ervoor zijn huis was uitgejaagd, door de Zuid-Afrikaanse buren. Die moesten niks van Zimbabweanen hebben. Dieven, verkrachters, moordenaars worden allochtonen uit het buurland hier genoemd. Mugabe of geen Mugabe. En dus werd Mozes van de ene op de andere avond het huis uit geslagen. Mozes liet er geen traan om. Nooit vroeg hij om hulp. Mijn hulp was sowieso nutteloos. Ik kende de weg niet in de getto’s waar Mozes sliep. Ik had hem wel eens afgezet een paar wijken verderop, waar kinderen ravotten in verroeste auto’s zonder wielen, waar alle ruiten van de huizen waren ingeslagen, waar de mannen in de winter hun handen warmden aan een vuur in oude olievaten. Ik schreef over die getto’s. Maar Mozes woonde er. En zo gauw Mozes in een van die wijken zijn onderdak was kwijtgeraakt, zo snel had hij ook weer een nieuwe woning gevonden.

Ik was wel eens wat verder gegaan om Mozes’ wereld en de mijne te overbruggen. Op een vrijdag was hij binnengekomen met een blik die weer een gruwelijk verhaal verried. Zijn broer was de avond ervoor vermoord. Ergens in de stad. Met een schroevendraaier tussen zijn ribben. Mozes wist niet waarom. Zijn enige zorg was het lijk nog voor zaterdag naar Zimbabwe te krijgen, traditioneel de dag van de begrafenis. Mozes had een vermoeden waar het lichaam van zijn broer nu was, en dus waren we samen naar het politiebureau gereden. Daar sprak Mozes lange tijd met een agent achter een balie die niet werkelijk geïnteresseerd leek in het verhaal van deze allochtoon. Na een half uur draaide Mozes zich weer naar mij en zei: „ik denk niet dat het lijk hier is. Laten we maar gaan.” En dat was het. Geen paniek, en geen bezorgdheid. Het lichaam van zijn broer was kwijt en Mozes vond het kennelijk wel prima zo. Een uur later zag ik hem weer onbezorgd graven in de tuin en lachend zijn sigaretten roken.

Alleen deze ochtend was zijn verdriet niet te stelpen. Mozes’ oudste zoon was de dag ervoor overleden. „Hij was al langer ziek”, vertelde hij na lang aandringen. „Hij was zo mager. En hij hoestte de hele tijd.” De ongeneeslijke ziekte van vier letters die niemand hier durft uit te spreken had nu ook Plumtree bereikt. Mozes moest dat weekend zijn eigen zoon gaan begraven, net als Nelson Mandela twee jaar geleden had moeten doen. Mozes is 63. En ik had geen idee hoe je mannen van 63 troost. Ik had over de ongeneeslijke ziekte veel gelezen en veel geschreven. Maar ik had geen idee hoe het was om een familielid te moeten begraven als gevolg ervan, laat staan je eigen kind. Ik vroeg naar de gezondheid van zijn zoons echtgenote, maar daar was volgens Mozes niets mee aan de hand. Die ochtend namen we allebei genoegen met die valse geruststelling. Zo was het altijd tussen Mozes en mij. Terwijl ik binnen zat te schrijven over zijn continent, groef hij buiten diep in de rode aarde. Dat bleef het onoverbrugbare verschil.