Lara Croft-versie

Madonna is Madonna niet meer. Beroemdheden worden gesteriliseerd.

Op de voorpagina van The Observer stond vorige week een foto van Madonna, op weg naar haar sportschool. Het was een geruststellende foto, want de bijna-vijftigjarige diva lachte en rondom haar mond plooide zich iets wat met enige goede wil viel te onderscheiden als een karakteristieke gezichtsuitdrukking. Daartoe leek zij, afgaand op de publiciteitsfoto’s voor haar nieuwe album Hard Candy en een fotoreeks in de recente aflevering van het Amerikaanse tijdschrift Vanity Fair, nauwelijks nog in staat. Madonna ontkent dat plastisch chirurgen aan haar hebben gesleuteld. Maar wie recente foto’s met die van een paar jaar geleden met elkaar vergelijkt, ziet dat zij jokt.

Madonna is Madonna niet meer. Verdwenen zijn de jongetjesachtige glooiingen (ik zeg dus niet: vetkussentjes) aan weerszijden van haar mond; verdwenen zijn de kraaienpootjes en de fronsrimpels die je vroeger kon zien als ze een poging deed tot het aanslaan van een gitaar-akkoord. Alles is weg, weggebotoxt en -geïnjecteerd, weggezogen en -gebeiteld. Het volstaat niet te zeggen dat dit ‘jammer’ is; het is dramatisch. Zij ziet er nu uit als een vijfendertigjarige vrouw, maar dan wel een vrouw die virtueel lijkt te zijn ontworpen. Madonna is verworden tot een Lara Croft-versie van zichzelf, iemand die vanwege de cosmetische perfectie gemakkelijk in een animatie-film kan schitteren, maar die tegelijkertijd steeds moeilijker valt te associëren met een gestalte van vlees en bloed.

Op de cover van de Vanity Fair, en gefotografeerd door Steven Meisel, poseert Madonna als een vrouwelijke variant van Atlas. Maar anders dan de mythologische Atlas torst Madonna niet gepijnigd doch krachtig de wereld. De wereld is bij haar een, ook al, gedesignde replica. De globe oogt niet als een globe maar als een met grijze gel overdekte bol van piepschuim.

Tien keer stond Madonna op de cover van Vanity Fair, de eerste keer in 1986. Toen had zij kortgeknipt en zilverwit geverfd haar, net zo buitenissig wit als destijds de pruik van Andy Warhol. Tegelijkertijd droeg zij haar wenkbrauwen nog au naturel: geverfd noch geëpileerd. Die combinatie van zilverwit bebop-haar en donkere, rupsdikke wenkbrauwen was behalve een tikje excentriek ook onweerstaanbaar. Anno 2008 stemt die toets van anarchisme in Madonna’s uiterlijk licht melancholiek. Afgaand op haar huidige kennelijke obsessie met cosmetische perfectie moet de conclusie zijn: die wenkbrauwen komen nooit meer terug, evenmin als die toets van onaangepastheid. Mét de plastische chirurgie lijkt ook Madonna’s zintuig voor tegendraadsheid te zijn weggesneden.

De verdwijning van authentieke details uit Madonna’s gezicht is metaforisch voor een veel grotere verdwijning uit Vanity Fair. Die verdwijning komt – onbedoeld? – aan het licht op de tentoonstelling Vanity Fair Portraits: Photographs 1913-2008 in de National Portrait Gallery in Londen. Vanity Fair werd opgericht in 1913, sneefde in 1936 en herrees vervolgens in 1986 dankzij een financiële injectie van Condé Nast. Foto’s uit die eerste periode 1913-1936 tonen grootheden als Josephine Baker, Jean Cocteau, Charlie Chaplin en Martha Graham. Heel weinig geportretteerden hoefden voor hun portretten iets ‘raars’ te doen. Niemand hoefde in een woestijn op één been te gaan staan, in een badkuip met rozenbloemen te gaan zitten of zich te laten overgieten met ezelinnenmelk. D. H. Lawrence kijkt stuurs weg van de camera, en een jonge Albert Einstein lijkt in niets op de archetypische halfgekke geleerde met wijd uitstaand haar, maar is op de oude Vanity Fair-foto een Mensch met dromerige blik. Huisfotograaf van toen was Edward Streichen, die met ieder portret het uitgangspunt van Vanity Fair onderstreepte: echte beroemdheden hebben stijl, anders zouden ze immers geen beroemdheid zijn.

In de tweede epoche van Vanity Fair, vanaf 1983 tot nu, is de portretfotografie radicaal veranderd. Belangrijkste fotograaf voor het tijdschrift is al sinds jaren Annie Leibovitz, de hogepriesteres van het geënsceneerde portret. Foto’s uit de eerste periode van Vanity Fair konden uitgroeien tot iconografische beelden. Denk aan James Joyce met ooglap of Bill ‘Bojangles’ Robinson swingend op een steile trap. Maar in het tijdperk Leibovitz lijkt het alsof de geportretteerde bij voorbaat door één foto moet promoveren tot icoon. Daartoe moet het aspirant-icoon zoals gezegd veel buitenissige poses aannemen. Je wordt niet zozeer voor Vanity Fair gefotografeerd; je wordt welbewust geïconiseerd.

Hoe virtuoos die Leibovitz-exercities ook zijn, de ziel van de geportretteerde blijft verbazingwekkend vaak versluierd. Superieure steriliteit, dat is waar Leibovitz in grossiert. Er komt bij dat al die ensceneringen indirect wijzen op een soort bestaanscrisis onder de beau monde. De pose der natuurlijkheid is kennelijk niet meer genoeg om bewondering af te dwingen bij de kijker – de boven ons gestelden moeten ook boven ons gestelde poses innemen. Leibovitz’ collega’s als Mario Testino, Bruce Weber en wijlen Herb Ritts hebben veel minder ensceneringen nodig. Bij hen redden de rijken en beroemden het op eigen kracht.

Het is enerverend om het portret van Madonna uit 1996 door Mario Testino op groot formaat terug te zien in de National Portrait Gallery. Madonna poseerde voor Testino alsof ze recht uit een roman van Edith Warton kwam gestapt, en ze zag eruit zoals ze er in haar loopbaan zelden of nooit uit heeft willen zien: heel lief. Een lieve Madonna – dat is wonderbaarlijk. Op het Testino-portret heeft Madonna overduidelijk nog haar licht bollende wangen. Wangetjes, zou ik bijna willen zeggen. Die wangen is dus hun recht op veroudering ontnomen door de eigenares. De wangen zijn vervangen door scherp gesneden jukbeenderen die misschien wel ergens in een catalogus van een particuliere chirurgische kliniek in Los Angeles staan afgebeeld.

Joost Zwagerman