Idylle van de Guaraní wordt bedreigd

Indianen in de deelstaat Rio de Janeiro eisen een eigen plek, op het strand vlak bij een villawijk. De bewoners klagen. Zij vrezen verlies van exclusiviteit en de waardedaling van hun huis.

De villa’s, de glimmende jeeps, de schone geasfalteerde wegen, de prettige zeebries; welkom in Camboinhas, een luxe buitenwijk van Niteroi, satellietstad van Rio de Janeiro. Locatie: langs het strand. Waar de straat, die parallel loopt aan de zee ophoudt, volgt een onverharde doodlopende weg. Een richtingaanwijzer wijst naar een onbestemd zandpad: de route naar Tekoa Itarypu, een dorpje van Guaraní-indianen.

Twee minuten later komen drie rieten huisjes in zicht. Een vierde is aanbouw. Op de grond zitten enkele indiaanse vrouwen. Ze maken sieraden. Kleurrijke armbanden en halskettinkjes liggen uitgestald op een tafel; voor de mensen uit de grote stad. Er wordt amper gesproken. In Tekoa Itarypu lijkt het leven voort te kabbelen, zonder enige haast.

Het opperhoofd van het dorp is de 23-jarige Isaías. Een jongeman, die net als de andere aanwezige Guaraní, liever zwijgt dan praat. Over zijn wangen en onder zijn kin zijn, volgens de traditie, enkele zwarte strepen getrokken. „Wij wonen hier nu drie maanden en zijn gelukkig”, zegt Isaías. Nu nog leven ze er met 23 mensen, maar anderen zullen volgen. „En daar”, zegt hij, terwijl zijn hand richting een duin achter het dorp wijst, „liggen oeroude begraafplaatsen van Guaraní. Daarom hebben wij recht op dit gebied.”

Als hij spreekt, kijkt Isaías ernstig. Een beetje zorgelijk ook. De idylle van de indianen wordt sinds kort bedreigd. Door bewoners van de hoge huizen aan de verharde wegen, een kilometer verderop. Die hebben een eigen club, de sociëteit voor stedelijk en ecologisch behoud van Camboihas (Soprecam). En Soprecam wil maar één ding: dat de indianen verdwijnen. Daarom is Soprecam een procedure tegen hen begonnen.

In Brazilië (190 miljoen inwoners) leven zo’n 460.000 indianen, verspreid over verschillende deelstaten. Grofweg eenderde daarvan woont buiten de gereserveerde inheemse gebieden. In de deelstaat Rio de Janeiro leven slechts enkele honderden Guaraní. Van oorsprong zijn zij nomadische stammen, die via Argentinië en Paraguay in Brazilië terechtkwamen.

„Ze zijn pas een eeuw geleden hier ontdekt”, zegt José Carlos Levinho, directeur van het Museum van de Indiaan in Rio de Janeiro. Hun cultuur en geloof zijn ijzersterk, zegt hij. „Daarom leven ze nog steeds op de traditionele manier. Ze hebben niet veel nodig. Dat zie je ook in Camboinhas, waar ze leven in huisjes van riet.”

Officieel, zo zegt belangenclub Soprecam, ligt het dorpje in beschermd gebied, waar niet zo maar gebouwd mag worden. De nederzetting zou in strijd met de regels zijn. Maar een loslippige advocate van Soprecam was deze week duidelijker over de motieven van Soprecam, tegenover persbureau Agência Estado. Het dorp zou het gebied veranderen in een vlooienmarkt, de indianen zwommen naakt in de zee.

Het gaat hier om een botsing van cultuur met economische belangen, zegt Arão da Providência Araújo Filho, advocaat van Tekoa Itarypu. Angst voor de waardedaling van de huizen in Camboinhas, plannen voor de bouw van nieuwe luxe appartementen op de plek van de nederzetting, zouden volgens Araújo Filho (zelf ook een indiaan) achter het conflict zitten.

Het dorpje ligt op een mooie locatie, met zee aan de ene kant en het meer van Itaipu aan de andere kant. In het water van het meer dobberen enkele bootjes, met vissende Guaraní. Volgens Funai (Fundação Nacional do Índio), het Braziliaanse overheidsorgaan dat de belangen van de indianen behartigt, hebben de Guaraní recht op het gebied. Het duin zou inderdaad als begraafplaats van hun voorouders – geborgen in urnen van klei – hebben gediend.

De enige aanwezige zitbankjes in het dorpje zijn bestemd voor de school. Daar zwaait Amarildo, de 18-jarige broer van Isaías, met tooi op zijn hoofd, de scepter. Hij onderwijst vooral in de taal en cultuur van de Guaraní. „Wij willen onze cultuur niet verliezen. Hier voelen wij ons thuis. Nee, wij willen niet in de grote stad wonen.”

Voordat de indianen naar Camboinhas verhuisden, woonden zij in Paraty (vier uur rijden van Rio de Janeiro), in een gereserveerd gebied voor indianen. Het leven was er zwaar, zegt Amarildo. Te veel mensen en te weinig inkomsten. „Wij leven van vissen en de verkoop van sieraden en houtsnijwerk. Hier kunnen wij eenvoudiger overleven. Alle inkomsten worden verdeeld, zijn voor de stam”, zegt de onderwijzer.

Hoewel deze indianen zelf redelijk positief zijn over hun situatie, constateert Levinho van het indianenmuseum dat er ook veel problemen zijn binnen de inheemse gemeenschappen in Brazilië. „Het onderwijs loopt achter, omdat ze het zelf willen doen en de gezondheidszorg is ook niet geweldig. De Braziliaanse overheid trekt wel geld voor ze uit, maar door zwakke coördinatie wordt dat niet altijd even goed gebruikt.”

Voor de buitenstaander lijken de Guaraní een marginaal bestaan te leiden. Bezit hebben ze amper, sanitaire voorzieningen zijn afwezig. Iemand heeft ze een televisie gegeven, maar „niemand die er wat om geeft”. Verhalen vertellen, aan elkaar, dat doen ze bijna elke avond. En ’s ochtends ontbijten ze gezamenlijk, elke dag. „Een keer in de week hebben we ook een rituele dans, met vuur”, zegt Amarildo. „Een eigen plek hebben, zoals nu, dat is genoeg voor ons, een droom. Daarom willen we hier in Camboinhas blijven.”