‘Hier is een onvergeeflijke misdaad begaan’

Onder de slachtoffers van de aardbeving in China zijn heel veel schoolkinderen. „Mijn kind is niet gestorven door een aardbeving, maar door corruptie.”

„Die school daar”, gromt meneer Liao Weixin, ,,was niet gebouwd van staal en beton, maar van tofu. Schandalig”. Hij staat tussen glasscherven, lege gele lijkenzakken, platgetrapte ampullen en verbanddozen en wijst naar puin, loshangende elektrische draden en een eenzame muur met een wereldkaart, uiteraard met China in het midden.

Hier halverwege de Jei Mi-straat in Hanwang, een stadje van 60.000 inwoners dertig kilometer ten westen van het epicentrum van de aardbeving, stond tot maandagmiddag 14.28 uur de middelbare Yi Yuanschool. Zijn kleindochter, de 17-jarige Lin, zou om 14.30 uur vrij zijn om een kwartier later bij haar oma thee te gaan drinken. Bij oma, een gepensioneerde lerares, maakte zij altijd haar huiswerk.

Meneer Liao is het bijna gepensioneerde hoofd Civiele Zaken van de gemeente, een lokale partijfunctionaris. „Wie dit tofuproject heeft neergezet, heeft een onvergeeflijke misdaad begaan”, zegt hij met een strak gezicht. Tofu is zacht deeg van gefermenteerde sojabonen, een volksgerecht.

Terwijl hij dat zegt, op vrijdagmiddag rond enen, beeft de aarde in de provincie Sichuan opnieuw. Een angstaanjagende ervaring, te vergelijken met een inkomende katjoesja-raket. Aardbevingen zijn net als raketten sluipmoordenaars, niemand hoort ze, niemand ziet ze en vluchten is onmogelijk. De naschok, de zwaarste sinds de beving op maandag, registreert 5,7 op de schaal van Richter.

De laatste schoolmuur met de wereldkaart slaat achterover tegen de grond, vrijwilligers in oranje overalls rennen in paniek eerst de ene kant en vervolgens de andere kant van de straat in. Een riskante reactie, want de appartementengebouwen in de straat vertonen grote scheuren en staan op instorten. Dichtbij valt een protserig ornament boven de ingang van een winkelcentrum naar beneden.

Meneer Liao en de ploeg reddingswerkers, vrijwel allemaal rekruten van de officiersopleiding van een basis bij de Sichuaanse provinciehoofdstad Chengdu, gaan zonder op te kijken door met graven en prikken met lange staven in het puin op zoek naar iets zachts. Zij mogen pas stoppen als alle lichamen van de 300 nog vermiste leerlingen zijn gevonden. Onder hen kleindochter Lin.

Verderop in de straat staat achter een afzettingslint een groepje mannen en vrouwen stil te wachten – ouders en grootouders of familieleden van de bezoekers van het ingestorte theehuis tegenover de school. Met gespannen gezichten hopen zij op een mirakel.

Niet alleen de Yi Yuanschool bezweek door de kracht van botsende aardkorsten op tien kilometer diepte, zeker 20 andere scholen in het honderden kilometers lange rampgebied zijn maandag ingestort, terwijl naburige gebouwen, waaronder appartementenblokken, overeind bleven staan. Naar schatting 5.000 van de 22.000 slachtoffers zijn scholieren.

Velen leggen de schuld bij malafide bouwers die inferieure materialen hebben gebruikt en corrupte functionarissen die de aannemers in ruil voor steekpenningen niet hebben gecontroleerd. „Mijn kind is niet gestorven door een aardbeving, maar door corruptie”, zei de moeder van een 13-jarig meisje op een internetsite.

Of er in Hanwang, ook sprake was van corruptie, zal worden onderzocht. Feit is dat het gebouw van de Communistische Partij is bezweken en dat de hoogste partijbaas nog steeds onder het puin ligt. Feit is ook dat de gebouwen van recentere datum – tussen de 5 en 10 jaar – de aardbeving hebben doorstaan.

Vervolg China: pagina 5

Aardbeving toont breuklijn oud en nieuw China

In een buitenwijk van Duijangyan staan alle gebouwen overeind, behalve de middelbare school waar 900 kinderen en leerkrachten stierven. Achter een bijgebouw van het scholencomplex hebben een paar leraren en leraressen een klein kampje opgericht. Daar slapen zij.

Vragen van journalisten willen ze niet beantwoorden, nadat in de plaatselijke pers en op internetsites de verwijtende vraag is gesteld waarom zij de ramp wel hebben overleefd en de meeste leerlingen voor wie ze verantwoordelijkheid droegen niet.

In kleinere steden als Hanwang, in omliggende dorpen, maar ook in de miljoenensteden Chengdu en Duijangyan, is hetzelfde patroon zichtbaar. Vooral oudere gebouwen – kantoren, appartementen, winkelcentra die twintig jaar of langer geleden zijn gebouwd – zijn ingestort. De meeste slachtoffers zijn gevallen in appartementengebouwen met muren van gemetselde stenen zonder stalen versterkingen.

Nieuwe appartementenblokken, industrieparken, maar ook de zesbaansbruggen, de fly-overs, de ringwegen en de viaducten die na 1992 zijn gebouwd hebben nauwelijks schade opgelopen. Vanaf dat jaar kwam de ontwikkeling en industrialisering van Sichuan (100 miljoen inwoners) pas goed op gang en wordt de nieuwste bouwtechniek toegepast. Rijk, modern Chengdu, vestigingsplaats van grote internationale ondernemingen, is praktisch ongeschonden, maar het oude Hanwang zal waarschijnlijk helemaal gesloopt en opnieuw opgebouwd moeten worden. Oud en nieuw China vormen in het rampgebied een zichtbare, ook symbolische breuklijn.

Dat neemt niet weg dat vele duizenden inwoners van de steden in Sichuan voor alle zekerheid tenten hebben gebouwd in parken, op de groene vluchtheuvels, op basketbalvelden en in sportstadions. Dichterbij het epicentrum bouwt het leger – opnieuw de meest efficiënte, best uitgeruste hulpdienst in China- tentenkampen voor de tienduizenden nieuwe daklozen. Of zij hebben hun huizen verloren of zij zijn vanwege instortingsgevaar gedwongen geëvacueerd.

Families, hele straten tegelijk, wachten in de blauwe tenten op eten, drinken en medicijnen. Slachtoffers en hulpverleners zijn niet alleen uiterlijk makkelijk van elkaar te onderscheiden. Hulpverleners – tienduizenden soldaten, artsen, verplegers, brandweerlieden, technici – zijn bezige bijen, druk in de weer met hun taken, zoals het installeren van wc’s en het desinfecteren van straten en puinhopen. De slachtoffers daarentegen zitten stil in tenten, langs de kant van de weg of op plastic stoeltjes te wachten. Zwijgend met een lege blik in de ogen wordt gewacht op eten, drinken en transport uit het rampgebied.

Op het platteland is dat niet het geval. Boeren, wiens huizen en stallen zijn ingestort hebben geen tijd om stil te zitten: de gerst- en rijstoogst is in volle gang. Zelfs op de doorgaande wegen, waar hulpkonvooien, vrachtwagens met zwaar bergingsmateriaal en de Harley Davidson-club van Chengdu in lange files staan, wordt graan met vlegels gedorst en te drogen gelegd. Machinaal oogsten wordt bemoeilijkt door een tekort aan diesel. Alleen officiële hulpverleners kunnen onbeperkt tanken. Voor een in deze omstandigheden opvallend modieus geklede vrouw met een grote zonnebril in een een nieuwe, witte BMW X5 is dat een pijnlijke verrassing.

Wei Yuan, een in de VS geboren architect uit Chengdu, had met haar tennis- en mahjongvriendinnen water, zeep en shampoo gebracht naar het hulpcentrum in Deyang, mag bij het Sinopec-station buiten deze stad niet meer dan vijf liter benzine tanken. „Hoe moeten we nu naar huis komen”, vraagt zij zich af bij de kassa. Een ambulancechauffeur uit Peking, die een rit van bijna 2000 kilometer achter de rug heeft, schiet haar te hulp met een gevulde jerrycan.