Een leven lang dwars

Woensdag overleed J.A.A. van Doorn, de invloedrijkste socioloog van naoorlogs Nederland en een spraakmakend columnist. Hij werd 83 jaar oud en bleef tot zijn dood met passie de pen voeren.

Dirk Vlasblom

De verlaten werkkamer van J.A.A. van Doorn in Sint Geertruid, afgelopen vrijdag. foto vincent van den hoogen Sint Geertruid, 16-05-2008; Werkkamer van J.A.A. van Doorn, columnist van o.a. NRC Handelsblad. Foto Vincent van den Hoogen. hoogen, vincent van den

J.A.A. van Doorn behoorde tot een generatie heren die zich in het openbaar niet liet kennen bij zijn voornaam. Heel wat Nederlanders lazen zijn werk zonder te weten wie er schuilging achter die drie initialen. Want, anders dan de heren G.B.J. Hiltermann en W.L. Brugsma, schuwde hij radiomicrofoons en televisiecamera’s. Hij was verre van onzeker, maar enigszins verlegen, een eigenschap die hij koesterde. Professor Van Doorn sprak met zachte stem, maar kon zijn studenten in Leiden, Rotterdam en Breda mateloos boeien. Eén van hen noemt zijn colleges ‘encyclopedisch, erudiet, in één woord verrukkelijk’.

Van Doorn was een groot doek met veel contrast. Hij was een overtuigd conservatief, maar ook een non-conformist. Hij was geboeid door macht, maar gaf er niet aan toe, want hij was een dwarsligger. Hij stichtte een sociale faculteit die beleidsadviseurs afleverde, maar zag steeds duidelijker de grenzen van overheidsbemoeienis. Hij legde in Nederland de grondslagen voor een methodische en theoretische sociologie, maar ging daar op den duur aan twijfelen. Hij trok in de eerste helft van zijn werkzame leven een theoretisch bouwwerk op waarin nauwelijks plaats was voor geschiedenis, en verdiepte zich daarna vooral in historische onderwerpen.

Leven en loopbaan van J.A.A. van Doorn vallen samen met tachtig jaar Nederlandse geschiedenis. Hij heeft daarin een heel eigen rol gespeeld: als dienstplichtig soldaat met notitieboek, als wetenschappelijk onderzoeker, als rapporteur aan overheden, als opleider van hoge ambtenaren en officieren, en, ten slotte, als waarnemer en commentator.

Jacobus Adrianus Antonius (‘Jacques’) van Doorn werd in 1925 geboren in Maastricht in een kleinburgerlijk Hollands gezin. Van Doorn senior had een woningbureau; hij verkocht huizen. Wim Hendrix, de Amsterdamse straatjongen die tijdens militaire dienst Jacques’ maat werd, herinnert zich nog diens ouderlijk huis in de Wyck, een “bekakte, doodsaaie buurt aan de Maas”. Het was “een somber huis, met een donkere gang”; vader Van Doorn was “een arrogante vent in een gedekt pak”.

Jacques was acht toen zijn moeder stierf en aan zijn stiefmoeder had hij een even grote hekel als aan zijn vader. Hij was vijftien en HBS’er toen de oorlog uitbrak. Als de Duitsers een overwinning hadden behaald, rende hij juichend de trap af. Niet omdat hij pro-Duits was, maar om zijn vader te treiteren. Beelden uit de romans van Bordewijk: een donkerbruine burcht waar zich een machtsstrijd tussen Titanen afspeelt. Hendrix zag daar de kiemen van een levenslange dwarsheid.

regout

Van Doorn deed in 1943 met mooie cijfers eindexamen. Zijn leraar aardrijkskunde, Henk Beijer, had hem belangstelling bijgebracht voor de wetenschap, maar het was oorlog, de universiteiten waren dicht. Onder begeleiding van Beijer begon hij aan een zelfstudie sociale geografie. Hij deed ook onderzoek, naar de Maastrichtse ondernemersfamilie Regout. Dit mondde uit in een artikel dat in 1947 verscheen in Mens en maatschappij onder de titel ‘De economische geest te Maastricht’.

In 1945 ging Van Doorn sociale geografie studeren aan de Universiteit van Amsterdam en al na een jaar deed hij kandidaatsexamen. Twee hoogleraren, onder wie J.J. Fahrenfort, boden hem een assistentschap aan, maar in oktober 1946 moest Van Doorn in dienst. Dat werd een breuk in zijn bestaan.

Wim Hendrix: “Jacques en ik zaten in hetzelfde peloton verbindingstroepen. Toen we hoorden dat we naar Indonesië gingen, kregen we het benauwd. We wisten verdomd goed dat er daar een revolutie gaande was en dat het knokken zou worden. Dan heb je de neiging een maat te zoeken op wie je kunt vertrouwen. We zijn bevriend geraakt door onze discussies tijdens de overtocht, die vijf weken duurde.”

Ze werkten de eerste maanden samen in Semarang, Midden-Java, bij de brigadestaf. Toen moest Hendrix naar de troep en werd Van Doorn sergeant bij het Bureau Operatiën. Daar passeerde heel wat informatie, waarvan hij goede nota nam. Intussen las hij Marx, Nietzsche en Michels en schreef hij artikelen voor Nederlandse tijdschriften: over Indonesië en over het leger. Het belangrijkste werk verzette hij samen met zijn maat.

Hendrix: “Ons plan om onderzoek te doen naar ontsporingen ontstond in augustus 1948, een paar maanden voor de tweede Politionele Actie. Onder de troepen heerste een mineurstemming. We hadden er te lang gezeten, de guerrilla werd alleen maar sterker en het gebied was te groot voor zo weinig troepen. Jacques begon een dagboek bij te houden en dacht: die Hendrix krijgt alles gedaan, die kan bij de manschappen gegevens verzamelen over geweldsexcessen.” De kandidaat-geograaf maakte een onderzoeksontwerp met heuse vragenformulieren, die Hendrix meenam naar het veld. Alle materiaal dat in die veertien maanden is verzameld – formulieren, schoolschriften vol notities – namen ze mee naar Nederland. Daar kregen ze geen gehoor.

In 1985 – hij was zestig – schreef Van Doorn: ‘In de eerste 25 jaar van mijn leven kwam ik telkens weer in culturele en sociale grensgebieden te verkeren: als ‘Hollandse’ jongen groeide ik op in Maastricht; levend in een rooms-katholiek milieu werd ik agnost; afkomstig uit een kleinburgerlijk gezin kreeg ik omgang met ‘intellectuelen’; als Nederlands jongmens maakte ik de Duitse bezetting mee; als dienstplichtig burger was ik drie en een half jaar soldaat; als Nederlander was ik jarenlang in Indonesië, precies in de periode dat de Indonesiërs de Nederlanders met kracht afwezen. Toen ik begin 1950 naar Nederland terugkeerde, had ik genoeg sociologisch vruchtbare impressies opgedaan voor een heel leven.’

autodidact

Terug in Amsterdam studeerde Van Doorn in snel tempo af (1951). Hij wilde de achterstand inhalen en liep over van de ideeën. In Maastricht en Indonesië had hij zich als autodidact tot socioloog ontwikkeld. Begin jaren vijftig zei hij de sociale geografie vaarwel. Als gevolg van schaalvergroting deden ruimtelijke kaders als buurt, dorp, wijk en stad er minder toe, vond hij. Maatschappelijke processen werden gedragen door steeds mobieler groepen. Hij stapte definitief over naar de sociologie. Dat vak stond in Nederland nog in de kinderschoenen. Van Doorn omringde zich met mensen die vergelijkbare ideeën hadden over de jonge discipline. Samen met Joop Ellemers richtte hij in 1953 de Sociologische Gids op. Na een tijdje leraar te zijn geweest aan een middelbare school kreeg hij in 1954 een baan die paste bij zijn ambities: adjunct- directeur van het Instituut voor Sociaal Onderzoek van het Nederlandse Volk (ISONEVO), de voorloper van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Hij beschikte nu over twee voertuigen voor zijn ideeën: een tijdschrift en een onderzoeksinstelling .

Van Doorn had grote bezwaren tegen het verzuilde sociaal-wetenschappelijk onderzoek van de jaren vijftig, waarin je niets mocht zeggen buiten het kader van de Katholieke of de Vrije Universiteit. In een beroemd artikel uit 1956 noemde hij verzuiling een ‘eigentijds systeem van sociale controle’. Wat hem en de zijnen voor ogen stond, was een niet-ideologische, ‘waardevrije’, Moderne Sociologie. Zo heette ook het handboek dat hij in 1959 samen met C.J. Lammers schreef. Methodologie en theorievorming ontleenden ze aan de Amerikaanse sociologie van die jaren, die onder invloed van Talcott Parsons (The Social System, 1952) samenlevingen analyseerde als systemen waarin de ‘elementen’, zoals groepen, instituties en rollen, houdingen, waarden en normen, het geheel in stand houden.

In die jaren hield Van Doorn zich met van alles bezig: met de stad, met wijken en migratie, met de emancipatie van de katholieken, met sociale stratificatie. Hij was een angry young man, die onbevangen kritische sociale studies maakte van Nederland met de nieuwste begrippen en onderzoeksmethoden uit de VS. Hij promoveerde in 1956 in Leiden op een proefschrift over militaire organisaties. Daarin kon hij de in zijn diensttijd opgedane fascinatie kwijt voor ‘macht, agressie, geweld en dwang’ (‘MAAGD’ was de werktitel van zijn dissertatie). Daarna ging het snel met zijn carrière. In 1958 werd hij buitengewoon hoogleraar in Leiden en in 1960 gewoon hoogleraar aan de Nederlandse Economische Hogeschool (NEH) in Rotterdam, de latere Erasmus Universiteit, met als opdracht een sociale faculteit op te zetten.

Als bouwheer in Rotterdam ontwikkelde hij een programmatische visie voor het vak. Beoefening van de sociologie zou niet langer een vrijblijvende intellectuele activiteit moeten zijn, maar moest bijdragen tot vormgeving van de maatschappij. In Rotterdam koos Van Doorn voor de specialismen sociaal-economisch beleid, bedrijfs- en bestuurskunde. Politicoloog Jos de Beus (1952), die in de jaren tachtig met Van Doorn ging samenwerken en met hem bevriend raakte: “Hij koesterde destijds een apolitiek vertrouwen dat de sociologie een toegevoegde maatschappelijke waarde had, naast de economie, die domineerde in Den Haag. Je moest een beroepsgroep kweken, die zaken als personeelsbeleid en beheer van arbeidsmarkten rationeel kon aanpakken.”

woordgebruik

Van Doorn behield zijn belangstelling voor oorlog en voor de strijdkrachten en in 1962 werd hij buitengewoon hoogleraar aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Maar hij was vooral de bouwer van een discipline, met een leerboek, een faculteit, een curriculum, de opleider van een lichting beroepssociologen met een eigen woordgebruik en eigen banen bij de overheid. En dat allemaal voor de verbetering van Nederland. Zoals Joop Goudsblom, voortbouwend op het werk van Norbert Elias, in Amsterdam de historische sociologie ontwikkelde, en elders de rationele keuzesociologie werd opgebouwd, bouwde Van Doorn aan beleidssociologie, en die draait om de vraag: hoe organiseer je de samenleving? Hij was er tot diep in de jaren zestig van overtuigd dat die samenleving ‘maakbaar’was.

Intussen hield Van Doorn contact met zijn maat uit dienst, met wie hij kon praten over de indrukwekkendste ervaring van zijn leven, de ‘politionele acties’. Wim Hendrix, die zich door zelfstudie had opgewerkt tot technisch tekenaar, vertelt: “We bleven elkaar zien. Jacques studeerde af en trouwde met Jeanne, zijn eerste vrouw. Ze gingen aan het Jonas Daniël Meyerplein wonen, waar hij aan zijn dissertatie werkte. Jacques was veel trouwer dan ik; hij nam het initiatief. Wij haalden herinneringen op aan Semarang, aan de meiden, aan de gevechten in de Tijgerclub, aan de handeltjes waarmee we onze wedde aanvulden. Dat surrealisme.”

Op 17 januari 1969 zond de VARA-televisie een interview uit met Indonesiëveteraan Joop Hueting over oorlogsmisdaden die Nederlandse militairen hadden begaan in Indonesië in de jaren 1947-1949. Hendrix: “Plotseling stonden de kranten vol over excessen. Jacques belde me op en zei: ‘Wim, we moeten aan de slag, want het is nu de tijd’.” Twintig jaar na dato zetten ze hun bevindingen alsnog op papier in Ontsporing van geweld (1970). Het boek gaat over grof geweld tegen de burgerbevolking door speciale militaire en politie-eenheden en over brute verhoormethoden die werden toegepast op krijgsgevangenen en verdachte burgers. De auteurs noemen drie factoren ter verklaring van deze excessen: de koloniale terugtocht was desperaat en daarom weinig subtiel; tussen de wereldoorlogen had de oorlogvoering voorgoed gebroken met de professionele militaire ethiek; en het oorlogsbedrijf was verwetenschappelijkt door technische snufjes, psychologische technieken en fysieke martelmethoden. De twee mannen, hoe verschillend ook, pakten de draad van hun vriendschap weer op en lieten die niet meer los. Van Doorn haalde Hendrix als ‘middelbaar medewerker’ naar Rotterdam, waar hij archiefwerk ging doen.

veldwerk

Jan Breman (1936), Amsterdammer en leerling van Wim Wertheim, de linksbuiten van de Nederlandse sociologie, stimuleerde Van Doorns belangstelling voor koloniale geschiedenis. Hij kwam in 1962 terug uit India, waar hij veldwerk had gedaan, en vond academisch onderdak in Rotterdam. In de jaren zeventig reisde Van Doorn met Breman naar Indonesië. De studie van de koloniale samenleving werd een essentiële lijn in zijn oeuvre: na ‘Ontsporing van geweld’ volgden De laatste eeuw van Indië en Indische lessen. De Beus: “Er bestaat hier een Chinese muur tussen Nederlandse en koloniale geschiedenis. Van Doorn heeft geprobeerd die te slechten. Voor de Nederlandse organisatiedrang, zei hij, moet je niet alleen kijken naar de verzorgingsstaat, maar ook naar onze inspanningen op Java.” Breman: “Voor hem was Indië een Hollands project in de Oost. Dat blijkt wel uit zijn fascinatie voor het werk van Delftse en Wageningse ingenieurs in de kolonie.”

Aan het einde van de jaren zestig, toen aan de universiteiten de vlam in de pan sloeg, kreeg Van Doorn het moeilijk. Het was een gezagscrisis, de hiërarchische verhoudingen binnen het academische bedrijf stonden ter discussie. Breman: “Jacques vond het onaanvaardbaar dat studenten zichzelf een cijfer gaven of weigerden examen te doen. Zijn verzet had gevolgen. De faculteit was zijn schepping, maar mensen die hij had aangetrokken namen toen afstand van hem. Die gebruikten de studentenrevolte voor eigen doeleinden.”

Tot zijn veertigste levensjaar deed Van Doorn alleen mee aan wetenschappelijke debatten. Toen veranderde er iets. Het eerste teken van betrokkenheid was een rapport uit 1967 over de rellen in Amsterdam. Hij werd actiever in de SER, gaf lezingen voor ondernemers, zijn belangstelling voor politiek groeide. Zijn eerste politieke stuk, van 1974, ging over de oliecrisis. Hij had kritiek op Den Uyl en Nieuw Links. De Beus: “Van Doorn reflecteerde halverwege zijn leven op de doorgeschoten democratisering, de verzorging van wieg tot graf, het conformisme van beleidswetenschappen. En hij maakte een draai van plan-denken naar conservatisme.”

Het was te merken. Breman: “De faculteit in Rotterdam telde de richtingen bedrijfskunde, bestuurskunde en sociaal-economisch beleid. In de jaren zeventig begon Jacques zijn vertrouwen in die kundes te verliezen en trok hij zich terug op onze vakgroep: Comparatieve Sociologie.” In zijn afscheidsrede (1987) gaf Van Doorn de idee van maakbaarheid op. Ontzetting in Rotterdam: de godfather viel van zijn geloof af.

collectieven

De Beus: “Er wordt vaak gezegd dat Van Doorn de sociologie vaarwel heeft gezegd. Als dat zo is, waarom dan? Jacques van Doorn dacht in groepen, in geordende collectieven. Hij zag die groepen, en daarmee het object van de sociologie, verdwijnen in individualisering en psychologiseren. Wat Jacques zo interessant vond aan Nederland was die groepsstrijd van katholieken en arbeiders, de strijd om kolonies, nationalisme. Die groepen verdwenen; partijen gingen op elkaar lijken. Volgens mij vond Van Doorn sociologie zonder collectieven niet interessant. Ook in zijn laatste werk over het Duitse socialisme zie je die belangstelling. Of in dat boek over generaties, nog zo’n collectief waarvan hij zei dat het verdwenen was. Waarom maakte hij die overstap naar de geschiedenis? Misschien omdat zijn thema – maatschappelijke breuken, handhaving van orde en onbedoelde gevolgen van rationele organisatie – daar nog wel te vinden was.”

Na zijn vervroegde pensionering in 1987 – gevolg van een ruwe reshuffle van academia door minister Deetman – werd hij commentator aan de zijlijn. De Beus: “In die rol deed hij denken aan zijn Franse vakgenoot Raymond Aron: spectateur engagé, betrokken maar afstandelijk, realistisch, met inleving in de wereld van machthebbers en buitenstaanders, maar zonder moraliseren. Hij moet hebben gedacht: ‘Ik ken het ritme van de Nederlandse samenleving, dat is gevoel, dat is ervaring, dat is wetenschap, en ik behoed Nederland ervoor dat het uit zijn baan raakt. Iedereen is op drift, maar ik ben constant. Er is een politieke correctheid van links geweest, met als hoogtepunt het kabinet-Den Uyl, en daar heb ik mij tegen verzet. Nu is er een nieuwe politieke correctheid, die van de liberalen van de markt en de Verlichting, en dat is een even groot misverstand. Iedereen vindt mij nu links, omdat ik die leerlingen van Bolkestein (Van Aartsen, Hirsi Ali, Verdonk, Wilders) aanval, maar ik ben niet veranderd. De VVD is in de ban geraakt van overmoed, net als de PvdA toen. En dat harde liberalisme, dat én de markt predikt én de islam wil reguleren, daar moet ik niks van hebben’.”

Van Doorns oordeel over de islam in Nederland en Europa was ambivalent. Hij was agnost en had nooit aan godsdienstsociologie gedaan, maar besefte dat je godsdienstig fanatisme moet pacificeren en niet moet aanmoedigen door seculier fanatisme. De Beus: “Van Doorn is begonnen als criticus van de Nederlandse godsdienstpolitiek, van de verzuiling. Die geloofsdwang was uit de tijd. In zijn laatste jaren zag hij een gevaarlijke wedloop tussen een religieuze minderheid die zich een plaats probeert te veroveren in de samenleving en bescherming van de staat eist, en een staat die namens een seculiere meerderheid probeert publieke godsdienst te disciplineren en in te dammen. Van Doorn werd een conservatief verdediger van pluralisme.”