‘Dat rotgevoel, verrek, het zit er nog steeds’

Na ritwinst in 2005 gold Pieter Weening als toekomstig Tourwinnaar. Dit jaar hoopt de 27-jarige Fries op tijd weer fit te zijn voor deelname aan de Tour.

Pieter Weening: „In mijn achterhoofd heb ik toch nog de Tour.” Foto Hoge Noorden, Jacob van Essen Wielrenner Pieter Weening Harkema 15-05-2008 NRC ©Foto: Hoge Noorden / Jacob Van Essen Essen, Jacob Van;Hoge Noorden

Achteloos, met de hand op de bovenkant van de voet, trekt Pieter Weening zijn gebogen rechterbeen op de bank, in de woonkamer van de boerderij van de familie aan de Betonwei in het Friese Harkema. „Het is mijn rechterknie ja”, zegt de wielrenner. „Tal van kwaaltjes. Het begon met de aanhechting van de knieschijf. Daarna zat het wat meer bovenop. Toen een branderig gevoel aan de linkerkant. En nu is het weer terug bij de aanhechting. Het is niet zo slecht dat ik niets kan doen. Lange duurtrainingen zijn geen probleem. Alleen houd ik de angst voor het moment dat ik echt uit m’n pijp moet komen, dat ik vol aanzet. En dat ik het dan terug heb. Daar ben ik bang voor.”

Overmorgen maakt Weening, bij zijn Tourdebuut in 2005 heroïsch winnaar van een etappe in de Vogezen, zijn rentree in de zware Ronde van Catalonië. Voorzichtig. „Ik heb het met de ploegleiding besproken, we hebben momenteel veel geblesseerden. Zonder mij zouden ze met zeven man zijn gestart. Ik neem dus niemands plaats in. Geen druk, dat moet ik sowieso niet hebben. Als de knie problemen geeft, kan ik na twee of drie dagen zeggen: ik schei er mee uit, hier gaat het niet lukken. Zonder dat je scheve gezichten krijgt. Ik ga er echt niet van uit dat ik in de bergritten direct met de beste tachtig omhoog kom. Puur omdat ik niet de hele koers lang mijn knie vol wil belasten. Ik wil ritme opdoen, en vind het ook wel leuk om weer eens tussen de jongens te zitten.”

Dit seizoen reed de 1.86 meter lange en 66 kilo lichte klimmer van de Raboploeg nog geen enkele wedstrijd. „Nu is de knie weer zo goed dat ik de koers kies boven een trainingskamp in de Ardennen. Daar zit je ook maar de hele dag te fietsen, fietsen, fietsen. Zonder concreet doel. Niet dat ik er een hekel aan heb, ik vind fietsen leuk. Als ik eenmaal ben opgestapt, maakt het mij niet uit of ik vier of vijf uur train. De dag is toch weg, zeg ik dan. Op Tweede Pinksterdag heb ik de Elfstedentocht gereden, 240 kilometer. Qua conditie moet een koers van 200 kilometer nu wel lukken. En in mijn achterhoofd heb ik toch nog de Tour.”

Ploegleider Erik Breukink koos hem ondanks zijn hardnekkige blessure toch in de voorlopige Tourselectie van veertien man, een kleine opsteker. „Al ben ik me er van bewust dat het lastig gaat worden. Dit jaar zou ik klassiekers, Giro en Tour rijden. De eerste twee zijn al om zeep. Voelde ik in februari al, een cruciale maand in de voorbereiding. Dan begin je je een beetje te ergeren. Je weet dat de belangrijke wedstrijden dichterbij komen, dat je het niet gaat halen. Nu zit ik met hetzelfde gevoel voor de zomer. Ik hoop er toch zo snel mogelijk vanaf te zijn, zodat ik van de zomer nog op niveau kan zijn.”

Hopen, twijfelen, proberen. „Voor een wielrenner is een knieblessure het slechtste dat je kunt hebben. Er staat altijd druk op de knie. Ja, hoe ontstaat zoiets? Beetje ongrijpbaar. Je gaat eens crossen in de winter, valt een keer. Het is frappant dat ik vijf dagen later iets aan mijn knie heb. Er verschuift misschien iets in je rug en voor je er erg in hebt zit je net even scheef op de fiets. Wordt de knie anders belast en heb je een probleem met je kniepees. De eerste keer dat ik last had was twee dagen voor Kerst. Zaterdag nog een toertocht gereden, op de koudste dag van het jaar. Nergens last van, lekker gedoucht, niks. ’s Avonds begon ik het een beetje te voelen.”

Weening dacht niet meteen aan het ergste. „Als renner voel je wel vaker wat. De volgende ochtend ging ik een uurtje losrijden, beetje pijn maar echt hinderlijk was het niet. Vanaf dat moment ging het snel van kwaad tot erger. De dag daarna kon ik totaal geen kracht zetten op de pedaal, ben na vijftig meter teruggedraaid. Ik dacht: weekje niet fietsen, dan zal het voorbij zijn. Mis. Ik wacht nog steeds op de dag dat ik helemaal klachtenvrij ben. Bij elke trap die je doet, belast je hem toch weer een beetje. Je voelt het, je weet het. Maar je bent beroepsrenner, je wilt zo weinig mogelijk conditie kwijtraken. Dus je blijft proberen. Hoewel, in januari en februari heb ik vrijwel niks gedaan.”

Rotperiode. „Je voelt je altijd lamlendig, bent helemaal uit je ritme. Je bent gewend om te sporten maar op dat soort dagen slaap je meer dan wanneer je in de zomer vol bezig bent. Ik sliep tot een uur of half negen, rustig ontbijten, je hebt de tijd. Even rustig fietsen op de roller, de benen laten vallen, meer niet. Dan maar weer tv kijken, wachten tot het avondeten komt. Voor mij is dat knap waardeloos. Ik ben niet iemand die graag stilzit. Maar je gaat ook niets anders doen, door de stad lopen of op je benen staan. Je wilt die knie niet belasten, anders voel je je schuldig. Saai hoor. Op de bank liggen en een uurtje fietsen op een dag.”

Met hulp van een fysiotherapeut bleef Weening zo fit mogelijk. „Ik voelde me fysiek best in orde, op dat ene na. Fiets je weer eens een dag lekker twee uurtjes, denk je: morgen nog een keer. Stap je vol vertrouwen op de fiets en voel je na honderd meter al iets. Denk je eerst nog: straks gaat het beter. Maar nee, na vijf kilometer moet je omdraaien.” Andere keren ging hij wel door. „Mag je niet doen, dat weet je. Maar toch. Je wilt testen, kijken of het weg is. Heel eventjes maar. En dan dat rotgevoel: verrek, het zit er nog steeds. Had je van tevoren kunnen weten, zoiets is niet van het ene op het andere moment weg.”

Intussen keek hij de wedstrijden op tv. „Zie je die mannen in de Ronde van Valencia of in Parijs-Nice rondsperen. En jij zit thuis. Lastig, maar ik was allang blij dat ik in april lekker veel wielrennen kon kijken. De hele dag snooker gaat ook vervelen.”

Hoe meer zijn jonge ploeggenoten als Thomas Dekker (23), Robert Gesink (21) en Bauke Mollema (21) opvielen, hoe meer de naam Weening naar de achtergrond verdween. „Ja, je hoort dat de ene na de andere jonge renner wordt opgehemeld. Ik moet zeggen: zo’n Gesink rijdt ook beresterk. Zo komt er steeds weer een nieuwe potentiële Tourwinnaar. En ik kan alweer bijna naar het bejaardentehuis. Ik maak me er niet zo druk om. Wie goed rijdt, is op dit moment de man. Dat heb ik zelf ook meegemaakt.”

In mei 2004 schitterde Weening voor het eerst bij de profs, toen hij in de Ronde van Duitsland bergop wegreed bij een groepje toprenners met onder andere Jan Ullrich. „Vlak daarvoor was ik er ook drie maanden uitgeweest, met een blessure aan mijn linkerknie. Vergelijkbaar met wat ik nu rechts heb. Geeft wel aan dat ik er snel kan staan als ik eenmaal ben hersteld. Het zou niet de eerste keer zijn dat een sporter sterker terugkomt na tegenslag.”

Toen de Fries een jaar later in de Touretappe naar Gerardmer zijn wiel net een paar millimeter voor de Duitser Andreas Klöden over de finish drukte en won, riep Michael Boogerd hem uit tot zijn opvolger. In het wielertijdschrift De Muur liep al langer een mild ironische column waarin Weening werd uitgeroepen tot Tourwinnaar van 2008.

„Dat wordt een beetje kort dag”, lacht hij nu. „Ik heb het zelf nooit geroepen hè. Dus voel ik me niet schuldig dat ik het nog niet heb kunnen waarmaken. Ik sta ook nooit meer stil bij die ritzege. Daarna is het even hectisch geweest, maar mijn leventje is nu weer hetzelfde als ervoor. Ik verander sowieso niet zo snel. Het was een leuk succes, maar ik hoop wel dat er nog iets achteraan komt.”

In 2006 en 2007 kon hij zijn belofte niet inlossen met opvallende resultaten. „Toch heb ik heus niet slecht gereden, hoewel dat beeld soms bestond. Maar de mensen zetten het laatste uur de tv aan, zien niet wat er daarvoor gebeurt. Roepen ze: ‘je zat er niet bij de laatste berg, hoe kan dat nou voor zo’n goede klimmer?’ Maar als je de 140 kilometer ervoor met drie man op kop hebt gereden, is het best lastig om ook nog in de finale met de dertig eersten over zo’n berg te schieten. Vorig seizoen heb ik in Luik-Bastenaken-Luik vijftien kilometer op kop gesleurd. Dan ben je er bij de volgende klim af.”

Niet dat hij zich bij voorbaat overal in een knechtenrol schikt. „Ik zeg niet: laat mij maar altijd van kilometer twintig tot 140 op kop rijden. Dat zit niet in mijn aard. Ik wil zeker af en toe mijn eigen kans rijden, en heb nog altijd het idee dat ik straks weer een rol ga spelen. Ik hoop dat ik nog weer eens een grote koers kan winnen. Daar moet je als sporter in geloven. En dat je in de Tour voor een ander op kop moet rijden, zoals vorig jaar voor Rasmussen, is geen enkel probleem.”

Op de avond dat de Deense geletruidrager naar huis werd gestuurd, werd het ook de meestal rustige Weening te veel. „Ik ga hem dood maken”, riep hij over de Italiaan Davide Cassani, wiens interview met de Deense tv de aanleiding was voor het vertrek van Rasmussen. „Ik was echt kwaad”, zegt hij nu. „Dat is ook de mentaliteit in Harkema, wij laten niet graag met ons sollen.” En dat directeur Theo de Rooij als gevolg van de affaire moest opstappen en bankier Harold Knebel de nieuwe baas werd? „Er is het een en ander veranderd in de ploeg. Spijtige zaak dat het zo drastisch moest, achteraf wel raar. Maar waar het puur om draait, het wielrennen, is hetzelfde gebleven. Niemand denkt meer aan vorig jaar. Is sporters eigen, vooruitkijken en niet te veel nadenken over het verleden.”

Tijdens zijn blessure kreeg Weening, in februari zonder enig bewijs genoemd in een Weense dopingaffaire, al zeven maal bezoek van een dopingcontroleur. „Vervelend, maar ik moet daar geen energie aan verspillen. Ik zit met smart te wachten op de dag dat ik weer eens vol op de pedalen kan staan. Dat ik zonder na te denken een keer een heuvel kan oprammen. Niet die bijgedachte: is het goed met die knie of niet? Maar dat komt straks wel weer. Even geduld hebben. Als je eenmaal weer aan het fietsen bent, gaat de blik recht vooruit. Dan is alle ellende snel vergeten ook.”

Om ooit weer te schitteren op de Tourcols? „Die tijden komen terug, daar zit ik echt niet over in. Als nieuweling vond ik bergop rijden in Limburg in eerste instantie maar zwaar. Ik reed liever naar beneden. Tot je merkt dat je met de beteren meekan. Dan is klimmen in één keer mooi. Machtig gevoel. Zoals bij de junioren in de Classique des Alpes, mijn eerste klimkoers, die ik met vier minuten voorsprong won. Dat gevoel, dat wil ik terug.”