Bonusbelasting van Bos is fopspeen

Buschauffeurs staakten deze week om hun tamelijk bescheiden looneisen kracht bij te zetten. Net zoals bijna iedereen merken zij dat hun koopkracht onder druk staat, doordat het leven steeds duurder wordt. De werkgevers, gesteund door de autoriteiten, hameren op het belang van loonmatiging.

Maar de top van het bedrijfsleven geeft zelf het slechte voorbeeld. De beloningspakketten van veel bovenbazen rijzen opnieuw de pan uit. Afgelopen week kwam hun soms ‘schandalige’ remuneratie ter sprake tijdens een overleg van de ministers van Financiën van de Europese Unie. Daar gemaakte afspraak: de Europese Commissie gaat bestuderen hoe lidstaten de excessieve beloning van bestuurders van grote ondernemingen aanpakken.

Maar Europese regelgeving – het meest doeltreffend, omdat topmanagers steeds gemakkelijker naar een ander land uitwijken – komt er niet. Lidstaten tonen zich beducht voor aantasting van hun fiscale soevereiniteit. Zij zijn al jaren met elkaar in de race om het ondernemingsklimaat te bevorderen via lagere tarieven van de belasting op inkomen en winsten. Daar mag Brussel zich niet mee bemoeien. De ironie wil dat ontvangers van vorstelijke beloningspakketten door die tariefverlagingen netto steeds meer overhouden.

Nederland maakte een goede beurt. Niet toevallig één dag voor de bijeenkomst met zijn collega’s had minister Bos een wetsontwerp naar de Tweede Kamer gestuurd om sommige veelverdieners aan te pakken. Twee van de drie daarin voorgestelde maatregelen raken uitsluitend werknemers die meer dan een half miljoen euro per jaar verdienen. Veel topbestuurders bouwen nog steeds een pensioen op, waarbij het laatstgenoten salaris maatgevend is. Na een salarisverhoging met 100.000 euro moet het bedrijf bij dit eindloonstelsel gemiddeld 400.000 euro extra premie betalen voor de pensioenopbouw over al verstreken jaren.

Het kabinet wil dat werkgevers over deze extra premie 15 procent belasting gaan betalen. De motivering luidt dat gewone werknemers tegenwoordig doorgaans slechts pensioen opbouwen over het loon dat zij gemiddeld in de loop van hun leven verdienen, en niet op basis van hun laatste (hoogste) salaris.

Een tweede maatregel betreft mensen die bij vertrek meer dan een jaarsalaris meekrijgen. In dit geval dient hun werkgever vanaf volgend jaar over het meerdere een strafheffing van 30 procent aan de fiscus af te dragen.

Geen van beide maatregelen treft de topmanagers zelf. Slechts hun (voormalige) werkgever moet voor buitensporige salarisafspraken bloeden. Voor een bedrijf dat tientallen of honderden miljoenen per jaar winst maakt, vormen de nieuwe heffingen nauwelijks een prikkel om de arbeidsvoorwaarden van het topmanagement aan te passen. Een onderneming die haar bestuursvoorzitter een winstbonus van 1 miljoen euro toekent, krijgt helemaal niet met de heffing te maken. Want zulke variabele beloningselementen tellen niet mee bij de grondslag van het pensioen en vallen dus buiten de heffing van 15 procent.

Alleen een derde maatregel raakt belanghebbenden rechtstreeks in de eigen portemonnee. Bestuurders van private-equityfondsen en het zittende management van opgekochte of overgenomen ondernemingen hebben vaak een ‘lucratief belang’ bij fusies en overnames. Zij krijgen aandelen, die zij bij het slagen van de operatie met gigantisch voordeel weer van de hand kunnen doen. Zulke bonanza’s worden op dit moment niet of slechts voor een deel belast.

Bos stelt een wetswijziging voor waardoor in de toekomst ondubbelzinnig vaststaat dat over deze voordelen tot 52 procent inkomstenbelasting verschuldigd is. Dit geldt overigens niet voor managers die opereren vanuit het buitenland – zoals specialisten in de Londense City – omdat die hier niet belastingplichtig zijn.

De voorstellen raken slechts 1.000 tot 2.000 belastingplichtigen. De schatkist wordt er per jaar 60 miljoen euro beter van. Het kabinet bezweert dat het niet wil nivelleren. Maar wat is er eigenlijk tegen om loonmatiging te bevorderen via een meer algemeen werkende fiscale maatregel? Ook berichten over de hoge verdiensten van voetballers en tv-sterren tasten de bereidheid tot loonmatiging aan. Vaak wordt gesteld dat hun beloning op een meer transparante en marktconforme manier tot stand komt, en niet tijdens onderonsjes met de commissarissen is bedisseld.

De manier waarop inkomen is verkregen maakt in ons belastingstelsel echter niet uit. Elke euro wordt even zwaar belast, of hij nu is verdiend door hardwerkende tweeverdieners met jonge kinderen of is getoucheerd door een calculerende burger die zijn hand ophoudt bij de sociale dienst. Wie iets wil doen aan uit de hand gelopen inkomens kan daarom beter het toptarief voor iedereen (nu 52 procent) opschroeven naar bijvoorbeeld 55 procent. Deze tariefverhoging zou een half miljard euro opleveren. Zou Bos dit geld gebruiken om in navolging van België en Frankrijk de benzineaccijns te verlagen, dan krijgt hij in één klap de blijvende sympathie van autorijdend Nederland.

Is het redelijk om uitsluitend een fiscaal cadeautje aan de automobilisten te geven? Het ligt meer voor de hand om de opbrengst van een hoger toptarief aan alle Nederlanders terug te geven, door de algemene heffingskorting van 2.074 euro met 50 euro te verhogen. Zo’n belastingbeleid zou loonmatiging bevorderen: wie meer dan 55.000 euro verdienen gaan meer betalen, alle andere Nederlanders gaan erop vooruit. Het CDA zal de PvdA zo’n links succes evenwel nooit gunnen.