Archeologie van een alleseter

Het duurde duizenden jaren voor het wilde zwijn was gedomesticeerd. Archeozoölogen reconstrueerden het verhaal van de mens en het varken. Theo Toebosch

“Leuke dieren,” zegt de verkoper van de tweedehandsboekwinkel in Amsterdam, terwijl hij de aankoop overhandigt. Schwein haben van Oberveterinärrat Dr. med. vet. habil. Hans-Dieter Dannenberg behandelt op een luchtige manier de cultuurgeschiedenis van Sus, het varken. “Met mijn zoontje ga ik altijd bij het varken op de kinderboerderij in het Westerpark kijken. Wist je dat er in Nederland meer varkens dan mensen zijn?”

Dat klopt niet helemaal. Volgens de officiële cijfers telt Nederland nu ruim 11 miljoen exemplaren van Sus scrofa domesticus. Een klein aantal daarvan leidt een openbaar leven als troetelvarken op een kinderboerderij. De meeste komen pas in beeld wanneer ze onherkenbaar als karbonade, plak ham of blikje Smac over de toonbank gaan. Verder dienen ze als grondstof voor van alles. Het bloed wordt verwerkt in dierenvoer, de huid gaat naar de leerindustrie, het vet verdwijnt in cosmetica, de hormoonklieren komen van pas bij de productie van geneesmiddelen, het haar verandert in penselen en borstels, de gal wordt gebruikt om verf te verdikken en van de botten wordt lijm en gelatine gemaakt.

Mensen hebben dus vaak zonder dat ze het in de gaten hebben een innige relatie met varkens. Zoals velen ook niet weten dat mens en varken al bijna tienduizend jaar met elkaar omgaan. Die onwetendheid is weer het gevolg van gebrekkig onderzoek naar het verleden van het varken. Het ludieke Schwein haben uit 1990 is een van de eerste en weinige boeken over het onderwerp en is niet eens door een historicus of archeoloog geschreven “Eigenlijk zijn we pas sinds kort echt goed begonnen met onderzoek naar wilde zwijnen en varkens,” zegt archeozoöloog Anton Ervynck, werkzaam bij het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed en één van de samenstellers van de dit jaar verschenen bundel Pigs and Humans, 10.000 years of interaction, vanuit Brussel over de telefoon.

Ervynck was net gepromoveerd op de verspreidingsgeschiedenis van de bruine en zwarte rat toen hij begin jaren negentig te maken kreeg met grote aantallen varkensbotten uit opgravingen van middeleeuwse kasteelterreinen in Vlaanderen. Hij kwam in contact met de Brit Keith Dobney van Durham University, die net als hij op zoek was naar (nieuwe) methoden om zoveel mogelijk historische informatie uit varkensbotten te halen. Want er was niet veel onderzoek om op terug te vallen. En wat er was, was vaak niet goed. “Onderscheid maken tussen wilde zwijnen en gedomesticeerde varkens bleek bijvoorbeeld vaak niet gebeurd te zijn.” Bij veel wetenschappers bestond het idee dat het varken als historisch onderzoeksobject niet interessant was, omdat het later zou zijn gedomesticeerd dan bijvoorbeeld rund, schaap of geit. Het varken had dus in hun ogen geen belangrijke rol gespeeld bij de neolithische revolutie, het begin van landbouw en sedentatie. Het varken gold verder een beetje als tweederangs, omdat het geen wol of melk leverde en ook niet voor transport of als krachtbron werd gebruikt. Het diende volgens de geleerden alleen als vleesvoorziening.

wild zwijn

De gebrekkige wetenschappelijke aandacht was voor Ervynck en Dobney reden te beginnen met een internationaal en multidisciplinair project waarbij in Europa en Azië, de belangrijkste verspreidingsgebieden van het varken en wild zwijn, op alle mogelijke manieren onderzoek werd gedaan naar het begin en verloop van de domesticatie en het houden van varkens. Niet alleen archeologen en zoölogen waren er bij betrokken, maar ook genetici, paleontologen, historici en etnografen. Pigs and Humans geeft de huidige stand van zaken van het moderne varkensonderzoek, dat varieert van onderzoek naar evolutie en taxonomie tot een inventarisatie van het varken in de middeleeuwse iconografie.

“Het recente onderzoek heeft alvast enkele oude mythes ontkracht,” stelt Ervynck. Geleerden namen tot voor kort aan dat domesticatie van varkens in het Verre en Nabije Oosten was begonnen en vandaar over Eurazië was verspreid. Maar mtDNA-onderzoek van Greger Larsen van het Ancient Biomolecules Centre in Oxford maakte drie jaar geleden duidelijk dat domesticatie onafhankelijk van elkaar ook op zeker vijf andere plaatsen had plaatsgevonden: Centraal Europa, Italië, Noord-India, Zuidoost-Azië en de Zuidoost-Aziatische eilanden. Ervynck: “Larsen zegt dat we ons beter kunnen afvragen waar het niet is gebeurd.”

Ervynck was zelf betrokken bij onderzoek om te achterhalen hoe snel het domesticatieproces was verlopen. “Het gangbare idee was dat varkens net als schapen, geiten en runderen snel waren gedomesticeerd. Bij oerrunderen zie je dat ook meteen terug in de grootte. Zodra ze werden gedomesticeerd werden ze kleiner.” Ervynck gebruikte varkenstanden en –kiezen als tijdsindicator voor ontwikkelingen in de relatie tussen varken en mens. “Varkens zijn net als mensen alleseters. Hun tanden en kiezen lijken dus op die van de mens. Van mensentanden was bekend dat je aan kleine lineaire afwijkingen in het glazuur, linear enamel hypoplasia of LEH geheten, perioden van ziekte, ondervoeding en stress kunt aflezen. Wij hebben hetzelfde met varkenstanden gedaan.” Wat bleek? “LEH neemt over een periode van duizenden jaren geleidelijk toe. Verder worden de tanden en kiezen geleidelijk kleiner. Beide gegevens wijzen op een langdurig domesticatieproces.”

Mens en zwijn hebben langzaam geleerd samen te leven, concludeert Ervynck. “Net als mensen en wolven. Het was niet even op een goede dag een zwijn in het wild vangen en achter een hek zetten. Ik kan me voorstellen dat wilde zwijnen eerst ’s nachts zijn afgekomen op het eten en afval in kampjes van jager-verzamelaars. Later zullen ze ook overdag zijn gekomen en zich steeds regelmatiger en dichter in de buurt van de kampen hebben opgehouden. Langzaamaan is zo een steeds hechtere relatie ontstaan. Het is dus niet alleen een door de mens gedreven proces geweest.”

samenleven

Etnoarcheologie kan volgens Ervynck helpen om ideeën en theorieën te ontwikkelen over hoe mens, zwijn en varken vroeger hebben samengeleefd. Zo binden de Yali, een bergvolk in de Indonesische provincie Papoea, een varken voor de slacht eerst vast aan een boom en schieten het dan met pijl en boog dood. Met een stenen hak slaan ze daarna een gat in de ribbenkast, om tot slot het dier met een bamboemes te villen. Vrouwen, die overdag de varkens verzorgen, zijn bij het doden en slachten niet aanwezig.

Of neem de Wola in de hooglanden van Papoea Nieuw Guinea. Zij houden vrij grote kuddes varkens. In hun verder egalitaire maatschappij is het varken een statussymbool, dat ze niet alleen voor voedsel maar ook als ruilmiddel gebruiken. De vrouwen laten ’s ochtends de kuddes los om ze in naburig grasland en het woud naar voedsel te laten zoeken. Lastige varkens blijven thuis aan een touw. In de namiddag komen de dieren vanzelf terug en krijgen dan voornamelijk zoete aardappelen gevoerd. De nacht brengen ze door in stallen naast de vrouwenhuizen. Regelmatig, maar niet op vaste tijden, slachten de Wola grote aantallen varkens. Op dit feestelijke gebeuren komen honderden mensen af.

Etnografisch onderzoek in Europa heeft ook zin. Ook op Corsica en Sardinië komen nog vrij rond lopende kuddes voor. Wild, gedomesticeerd, verwilderd, lokaal product, import en kruisingen lopen op de eilanden door elkaar heen. Een stukje ijzerdraad door de snuit voorkomt dat de varkens in de grond gaan wroeten en gewassen kapot maken. Op deze manier is de teelt van varkens met landbouw te combineren.

Ervynck weet dat het gevaarlijk is om etnografische voorbeelden als analogie voor het gebruik van varkens in het verleden te gebruiken. “Maar gedetailleerde observaties kunnen wel helpen om het historische ritueel op te sporen.”

slachting

„Neem alleen al zoiets praktisch als een stukje ijzer in de snuit om te voorkomen dat een varken gaat wroeten. En zo’n plotselinge slachting bij de Wola zet je aan het denken over hoe je zoiets archeologisch zou kunnen terugvinden. Etnoarcheologie levert dus de vragen die archeologen moeten durven stellen.”

Gewoon archeologisch onderzoek en archeozoölogie hebben een mogelijk antwoord opgeleverd op de vraag waarom in het Nabije Oosten en Midden Oosten varkens een taboe zijn geworden. Ervynck: “Melinda Zeder van het Smithsonian heeft het idee in de jaren negentig voor het eerst geopperd en Caroline Grigson van University College London heeft de gedachte verder uitgewerkt door op basis van opgegraven botmateriaal een soort verspreidingskaarten te maken.” Uit die verspreidingskaarten blijkt dat in het vijfde en vierde millennium voor Christus het wel of niet voorkomen van varkens niet van culturele omstandigheden afhing, maar van gunstige levensomstandigheden voor varkens. Hoge percentages varkens kwamen alleen voor in gebieden met genoeg water en regenval. “Net als de mens hebben varkens een gevoelige huid en kunnen ze niet tegen temperaturen van boven de 36 graden. Verder hebben ze een vochtige omgeving nodig.” Het derde millennium voor Christus toont een complexer beeld. Op sommige plekken waar de natuurlijke omstandigheden wel gunstig voor varkens waren, werd het percentage varkens toch veel kleiner. “Je ziet het in stedelijke gebieden in Mesopotamië en Noord-Syrië met een sterke elite. Een varken, dat alles eet, is anders dan schapen, koeien en geiten makkelijker te houden en kan als individuele voedselvoorziening dienen. Mogelijk hebben de bestuurlijke en religieuze elites varkens taboe verklaard om de voedselvoorziening te kunnen controleren en zo hun macht te vergroten.”

irak

Een interessante hypothese, die alleen door verder onderzoek bevestigd of ontkracht kan worden. “Maar opgraven in Irak is op dit moment niet mogelijk,” zegt Ervynck. Zoals er nog meer belemmeringen zijn die er voor zorgen dat vragen nu nog niet goed beantwoord kunnen worden. “De opgraving van Çayönü Tepesi – een vindplaats in Turkije met de oudste sporen van domesticatie en een duizenden jaren lange bewoningsgeschiedenis – door de Universiteit van Istanbul ligt al jaren stil omdat de plek in Koerdisch gebied ligt. In Israël houden veel archeologen nog steeds vast aan de oude clichés: een vindplaats met varkens is van de Filistijnen geweest, een vindplaats zonder varkens is van hun eigen voorzaten geweest. Het ontbreekt tot nu toe aan vindplaatsen die de gevolgen van de intocht van de islam laten zien. Turkse archeologen houden zich er om politieke redenen niet mee bezig en westerse archeologen hebben vooral interesse in oudere tijden. Een stad als Aqaba in Jordanië, die al in de late ijzertijd een nederzetting was, zou een goed beeld van de ontwikkelingen in de Romeinse tijd, de Byzantijnse tijd en de islamitische periode kunnen geven. Maar tot nu toe is er nog niet uit alle perioden op een goede manier materiaal verzameld.” Ook in Nederland, dat een lange archeozoölogische traditie kent – Ervynck is daarom ooit aan de Universiteit van Amsterdam gepromoveerd – gaat het niet de goede kant op. “Bij commerciële opgravingen wordt bij wijze van spreken volstaan met het verzamelen van driehonderd botten en onderkaken. Maar voor goed onderzoek heb ik honderdduizenden exemplaren nodig.”

Tot slot: heeft Ervynck zelf een speciale band met het intelligente dier dat een varken is? “Nee, ik heb geen varken als huisdier. Ik ben er niet emotioneel mee begaan en ik eet nog gewoon mijn hesp. Collega’s zijn wel vegetariër, maar die bestuderen net zo gemakkelijk slachtsporen.”